Vrije vestiging

MINISTER Andriessen van economische zaken heeft deze week de branche-organisaties in het midden- en kleinbedrijf tot wanhoop gebracht.

De branches keren zich fel tegen zijn plan om de vestigingseisen voor startende ondernemers nagenoeg volledig los te laten. In hun kritiek schetsen de branches het toekomstbeeld van een samenleving waarin het wild-westkapitalisme welig tiert. Met het wegvallen van de meeste vestigingseisen, zo redeneren ze, zal de ene nodeloze prijzenoorlog de andere opvolgen, zal het aantal faillissementen scherp stijgen, en zal de gemiddelde kwaliteit van het ondernemerschap afnemen. De degelijke Nederlandse middenstander legt het in dat schema af tegen banale beunhazerij; alle ondernemers worden er slechter van - en de consument kan het gelag betalen.

De ontsteltenis van de ondernemers is niet onbegrijpelijk. Bij uitstek het midden- en kleinbedrijf heeft in Nederland een traditie van marktbescherming, die decennialang is getolereerd, zoniet gestimuleerd door de overheid. De Vestigingswet is daar slechts één voorbeeld van. Formeel is ze in 1954 ingevoerd om een drempel op te werpen tegen al te matig geëquipeerde ondernemers. Maar met oogluikende instemming van de overheid is de wet in de loop der jaren gaan functioneren als een alibi voor branche-protectionisme. In steeds meer bedrijfstakken werd het verkrijgen van een vestigingsvergunning gekoppeld aan de plicht de ene vakopleiding na de andere te volgen, met als informeel doel zoveel mogelijk nieuwkomers van de markt te weren. Het stellen van “kwaliteitseisen” aan startende ondernemers verwerd zo tot een middel de status quo in stand te houden. En wie er zich ook over beklaagde: niet de overheid.

DAT DE minister met die lankmoedige houding afrekent, is om verscheidene redenen toe te juichen. Het midden- en kleinbedrijf kan een stimulans van de onderlinge competitie goed gebruiken. Want niet alleen de Vestigingswet heeft middenstanders de laatste decennia aangezet tot een defensieve bedrijfscultuur. Ook een hoge karteldichtheid - evenzeer getolereerd door de overheid - heeft de sector ontdaan van een gezonde interesse voor concurrentie. Andriessens collega op Economische Zaken, staatssecretaris Van Rooy, heeft de laatste maanden haast gemaakt met haar beleid de zwaarste kartelsoorten te verbieden. Samen met het plan van de minister inzake de Vestigingswet ontstaat zo een meer op deze tijd - en op de Europese omgeving - toegesneden beleid. Concurrentie wordt gestimuleerd. Met wild-westkapitalisme heeft het weinig van doen. De eenvoudige notie dat alleen vrije concurrentie tot hogere prestaties leidt is voor het midden- en kleinbedrijf te lang voornamelijk theorie geweest.

Bovendien is het slecht te verdedigen dat ondernemers mogen bepalen wat goed is voor de consument. De reacties van de branche-organisaties tenderen in die richting. Massaal tonen ze zich ongerust over de toenemende kans dat consumenten door de liberalisering van de wet straks te gemakkelijk zullen vallen voor ogenschijnlijk aantrekkelijke aanbiedingen van matig onderlegde of zelfs malafide ondernemers. Het riekt naar paternalisme. Wie zich een goedkoop produkt aanschaft kan rekenen op extra risico's. En wie in het ootje wordt genomen kan altijd nog naar de Consumentenbond.

HOEWEL? De grootste consumentenorganisatie van Nederland is tweeslachtig over het ministeriële voornemen. Enerzijds juicht de bond het toe dat er wordt afgerekend met het marktbeschermende element van de Vestigingswet. Anderzijds is hij net als de branche-organisaties bevreesd voor toenemende beunhazerij. Het is de resultante van de opstelling die de bond in het verkeer met de branche-organisaties heeft verkozen. Waar de overheid in het verleden volgens christen-democratisch concept koos voor zelfregulering in de branches, sloot de Consumentenbond het ene na het andere “consumentvriendelijke” akkoord met deze of gene branche-organisatie. Authentieke belangen gingen daarmee - zoals zo vaak in Nederland - verloren in een wereld van overleg en mystieke coalities. De ingreep van de minister biedt de Consumentenbond een goede kans terug te keren naar zijn klassieke taak: consumenten adviseren, ondernemers - waar nodig - bekritiseren. Dan wordt tegelijk duidelijk dat branche-organisaties er voor zichzelf zijn, en niet voor de consument. Curieus genoeg heeft de minister dat beter gezien dan de Consumentenbond zelf.

DE CENTRALE organisaties van werkgevers deden er deze week het zwijgen toe. Vorig jaar sloten ze met de minister een globaal akkoord dat voorzag in een liberalisering van de Vestigingswet. Het was een logische consequentie van de breed aanvaarde gedachte dat de wet een dynamische ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf in de weg staat. Maar nu is gebleken dat de uitwerking van het akkoord bij de branche-organisaties - hun achterban - uiterst beroerd is gevallen, kiezen de centrales voor de stijlfiguur van de stilte. Het illustreert niet voor het eerst dat de overlegeconomie haar beste tijd heeft gehad. Toch zou het van meer moed en authenticiteit hebben getuigd als de werkgeversorganisaties hun leden meteen publiekelijk de harde waarheid hadden verteld.