Tennis for ever

6-3, 5-7, 29-27. Het gebeurde vorig jaar tijdens Wimbledon, helaas in het gemengd dubbel, dat niemand interesseert. In de laatste set spelen we geen tie-break, we gaan door tot het scorebord twee games verschil laat zien. We gaan door, zelfs als de aardbeien op zijn. New balls, please. En nieuwe lijnrechters, maar geen nieuwe spelers. Iedere dag kan het weer gebeuren. Het kan zelfs veel erger.

Er waren drie Nederlanders bij: Brenda Schultz, Michiel Schapers en Tom Nijssen. Voorts een dame uit een ver land, een zekere Temesvari. Uren lang moeten ze zeker geweten hebben dat het noodlot ze bij de lurven had. Dit potje tennis zou nooit een einde kennen. Voor zover ik weet zijn er geen beelden rond de wereld gegaan van deze beproeving. Het is geen boksscheidsrechter-krijgt-kaakslag, goed voor 20 seconden Journaal. Je moet het allemaal zien om de ware omvang van het drama te bevatten, de volle vier uur. Kregen ze bij 20-20 de slappe lach? Gingen ze van lieverlee allemaal steeds meer op Ivan Lendl lijken? Hoeveel gevallen van uitputting waren er te melden op de tribune?

De eigenaardigheden van het tennis zijn niet te tellen. De malle puntentelling is er één. Het is een districtenstelsel in het kwadraat, zoals dat alleen in het Verenigd Koninkrijk kan ontstaan. Wie meer sets wint dan de ander hoeft nog niet meer games te hebben gewonnen. En het aantal gewonnen games op zijn beurt zegt nog niets over het aantal gewonnen slagenwisselingen, terwijl het om dat laatste bij evenredige vertegenwoordiging eigenlijk zou moeten gaan. Een andere rare eigenschap is dat een gelijk spel niet mogelijk is, al komt dat bij afvaltoernooien als Wimbledon natuurlijk goed uit.

Maar verreweg de meest huiveringwekkende karaktertrek van het tennis is het feit dat niemand de garantie heeft dat een eenmaal begonnen partij ooit ten einde zal komen. Dat is zelfs het geval tot de derde macht. Eerste macht: iedere rally kan in principe oneindig lang duren. Niemand hoeft de bal uit of in het net te slaan. Kwadraat: zolang de spelers netjes om beurten een punt scoren zal niemand ooit de betreffende game op zijn naam schrijven. Precies om beurten is niet eens nodig omdat voor de winst een voorsprong van twee punten nodig is. Derde macht: ook voor elke set ligt de oneindigheid eeuwig op de loer. Om de beurt een game winnen - precies om beurten hoeft niet - en je hebt levenslang.

De gruwel zit 'm hierin, dat Schapers en Schultz en hun tegenstanders bij de stand 28-27 geen flauwe notie hadden wat hun te wachten stond: een 29-27 overwinning, een 183-185 nederlaag of een open einde. Het had door een Zuidamerikaanse generaal bedacht kunnen zijn. Blijkbaar zijn tennissers er nogal zeker van dat het spelletje eens ophoudt, want onzekerheid hieromtrent lijkt me te veel voor zelfs de meest weerbare geest. Toch maak ik me sterk dat de spelregels nergens een grens trekken. Als het duister invalt, verdaagt de umpire de partij, maar wat doet hij na vier dagen bij de stand 512-all? Volgens mij is er nooit over nagedacht. De positieve kant hiervan voor de spelers is dat het hun vakbond een magnifiek wapen in handen geeft. Kon een decennium of twee geleden een staking van topspelers het toernooi niet klein krijgen, een stiptheidsactie van twee vrijwilligers kan het hele evenement lamleggen, beter nog dan de regen dat kan.

Goed beschouwd is het een wonder dat de Oneindige Partij nog steeds niet is begonnen (want dan zouden we het langzamerhand wel weten). Het is een aanwijzing dat de kans op zo'n wedstrijd microscopisch klein is. Maar de meest fundamentele van alle natuurwetten, de Wet van Murphy, zegt dat iets wat kan gebeuren ook zal gebeuren, bij voorkeur op een ongelegen ogenblik. Dat geldt voor lekke banden, voor kerncentrales en voor tennis. De wetten van de statistiek bevestigen dat. Als er maar genoeg tijd verstrijkt zullen partijen van elke denkbare lengte zich eens voordoen. Wij wensen u een plezierig einde van het toernooi.

Huisartsenconsensus