PARADOXEN VAN DE INFORMATIECULTUUR

De netwerkmaatschappij. Sociale aspecten van nieuwe media door J. A. G. M. van Dijk 265 blz., Bohn Stafleu Van Loghum 1991, f 55,50 ISBN 90 313 1212 6

De verbinding tussen twee punten is een relatie, tussen drie punten is het een netwerk. Dat is het kale uitgangspunt van een boek door dr. Jan A. G. M. van Dijk, die als universitair docent is verbonden aan de vakgroep Algemene sociale wetenschappen van de Utrechtse universiteit. Zoals wel vaker bij moderne technologie is dit uitgangspunt bedrieglijk in zijn eenvoud. Het boek gaat over veel meer: de eigentijdse combinatie van schaalvergroting en schaalverkleining, die op zijn beurt niet denkbaar zou zijn zonder allerlei nieuwe media op het terrein van tele-, data- en massacommunicatie. Kenmerkend daarvoor is de opkomst van elektronische netwerken. Zeg maar: computers die met elkaar praten, ongeacht tijd of afstand.

De verwevenheid van technologische schaalvergroting en -verkleining vormt een aantrekkelijke verklaring voor de interessante paradox die de psycholoog Ad W. A. Scheepers aantrof bij een onderzoek bij 140 gemeentelijke sociale diensten. Eind vorig jaar promoveerde hij in Tilburg op zijn onderzoek Informatisering en de bureaucratische competentie van de burger. De paradox van Scheepers luidt als volgt: ""De afstand tussen overheid en burger lijkt kleiner te worden als gevolg van de informatisering. Tegelijkertijd lijkt de toegankelijkheid te verminderen.'

KLANTVRIENDLIJK

Feit is dat de nieuwe informatietechnologie het menige ambtenaar achter het loket mogelijk maakt zijn cliënten directer te bejegenen. Tegelijk werkt deze technologie van dwarsverbindingen en kruisverbanden in de hand dat àchter dat klantvriendelijke loket de bureaucratische woekering toeneemt, zodat er voor een gewoon mens niet meer tussen valt te komen.

De bevindingen van Scheepers illustreren maar weer eens dat het oppassen is met slogans als ""dicht bij de burger' wanneer het om overheidsautomatisering gaat. De ontbrekende schakel is vooral de rechtspositie van de burger in de informatiemaatschappij. Het gaat immers aan dat geautomatiseerd loket vaak om beslissingen over mensen. Tot dusver is dit aspect voornamelijk behandeld in termen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy). Dat is echter een karikatuur van de werkelijke rechtsvraag die wordt opgeroepen door het geautomatiseerde loket. Het werkelijke probleem is dat van maatwerk versus confectie, van rechtsverfijning versus rechtszekerheid, van autonomie versus afhankelijkheid.

Uit het onderzoek van Scheepers bleek dat de "klanten' van de overheidsloketten vooral tevreden waren over systeem-aspecten als "universaliteit' en "neutraliteit', zeg maar: een overheid die op een behoorlijk gemiddelde koerst. Dat is op zichzelf geen geringe prestatie. Maar bij een gemiddelde overheid hoort een gemiddelde burger. Wie iets wil dat buiten de routine valt, komt in de problemen.

In de openingstoespraak van de conferentie "Democratie en Informatiesamenleving' wees minister Hirsch Ballin van justitie (en informatica-recht) onlangs indringend op het gevaar van verstarring. Als voorbeeld gaf hij de "outputfinanciering' in het onderwijs met behulp van steeds meer geautomatiseerde systemen. Voordat men het weet, gaat het meetinstrument de activiteiten voor de klas bepalen. Waar pure cijfers overheersen, zal de neiging optreden in het onderwijs vooral die vakken en onderdelen te koesteren waarop letterlijk te scoren valt. Het probleem is, stipuleerde Hirsch Ballin dat ""de samenleving zich voegt naar wat de sturingsinstrumenten kunnen registreren'.

TWEE WALLETJES

Over de wijze waarop dit mechanisme dient te worden doorbroken, was de bewindsman een stuk minder uitgesproken. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want doorgaans, zoals inzake de fraudebestrijding, pleegt hij juist de inzet van geautomatiseerde meetinstrumenten te bepleiten. Van twee walletjes eten gaat ook in de overheidsautomatisering moeilijk.

Ook Van Dijk heeft in dit boek niet echt een oplossing, al legt hij de vinger wel op enkele zere plekken. Zo zouden consumentenorganisaties zich niet moeten beperken tot een beoordeling van pasklare eindprodukten, maar zich ook dienen te verdiepen in vragen van systeemontwerp. Een goed voorbeeld is de mate waarin bij problemen met een geldautomaat de zwarte piet wordt verdeeld tussen consument en bank. Die keuze wordt in feite gemaakt in de ontwerpfase van het elektronisch netwerk en dat is dan ook het moment na te gaan welke variant de consument het meest tegemoet komt. Maar alweer: hòe de consumentenbond daadwerkelijk toegang moet krijgen tot de ontwerpronde blijft een tweede.

Van Dijk biedt in elk geval een breed en boeiend panorama van dilemma's, variërend van werkgelegenheidseffecten tot de opkomst van een ""binaire beeldcultuur'. De communicatiewetenschapper verraadt zich niet in zijn betoog, dat uitloopt op een pleidooi voor meer informatiekunde op school. Het gevaar hierbij is echter dat door automatisering van jongs af aan de informatiseringsmaatschappij een vanzelfsprekendheid krijgt die het stellen van lastige vragen blokkeert.

Behalve ""flink wat onderwijsinnovatie' lijken voor die kritische functie ook enige externe prikkels nodig, zoals die van het recht. Het is opmerkelijk hoeveel plaats Van Dijk inruimt voor kwesties als privacy en pluriformiteit, democratie en decentralisatie. De werkelijkheid is echter dat op het ogenblik een groot systeem voor elektronische bevolkingsboekhouding wordt ingericht op basis van een voorlopige doch zeer brede machtiging.

De wet die dit zeer indringende systeem moet normeren komt als een soort toegift op de voldongen feiten die inmiddels onder het mom van systeemtechniek zijn geschapen. En de minister van justitie maar waarschuwen tegen ""een vertechnisering van de samenleving'.