Liever geen advies?

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid voorlopig gered. Het zou vijf jaar geleden geen geloofwaardige kop boven een nieuwsbericht zijn geweest. Nog minder in 1980, toen de WRR het economisch doemdenken in dit land radicaal omboog met het rapport Plaats en Toekomst van de Nederlandse Industrie? Vandaag is het nieuws dat de WRR niet is opgeheven. Dat zegt iets over de Raad en over de regering.

Nu het parlement op vakantie is, bezuinigt de kat in het voorhuis. Zoals iedere zomer. De besprekingen over de nieuwe begroting worden pas spannend als de parlementaire muizen zijn afgereisd. Op zoek naar losliggend geld raakt het kabinet dan vaak zaken aan die fundamenteler zijn dan menig actueel debatje tijdens het gewone schooljaar.

De begerige blik die de topambtenaren van de ministeries dit jaar op allerlei adviesraden hebben laten rusten, zal Kamerleden hooguit opwinden als zij zelf in een bedreigd advieslichaam zitten, of wanneer de branche waar zij nauwe banden mee onderhouden het eigen vóór-parlementje dreigt kwijt te raken.

Zo verkeren Kamerleden met een emancipatie-stempel op het voorhoofd al enige tijd in de voorfase van verontwaardiging. De Emancipatieraad is in gevaar. Na de stille opheffing van de Harmonisatieraad Welzijnsbeleid verzeilde ook hun centrum van emancipatorische argumentatie in de zone van de bezuiniginsgmogelijkheden. Zonder veel te hebben misdaan, en ondanks de aanhoudend ongelijke kansen van vrouwen en andere grote minderheden in ongeveer het hele leven.

Het is ironisch dat ook de WRR voor opheffing in aanmerking kwam, nadat deze Raad in 1977 al adviseerde het oerwoud aan adviesorganen eens duchtig te saneren. De WRR heeft geen achterban. Als hij gisteren was opgeheven, had geen haan er naar gekraaid. Een enkele hooggeleerde waarschuwing, dat was het geweest. Zo ver is het niet gekomen. Het aantal voltijdse raadleden wordt teruggebracht van negen naar vijf - het ambtelijk advies was vier, en hun totale staf aan wel- en niet-wetenschappelijke medewerkers moet van ruim veertig naar dertig - het plan was acht.

Het advies in het kader van de als "Grote Efficiency' geafficheerde snoeioperatie was voor de leden van de WRR het zelfde als opheffing. Vier leden, hoe geleerd en ervaren ook, geholpen door een handvol doctorandussen, kunnen geen stroom zwaarwegende adviezen over grote maatschappelijke vraagstukken produceren. De inkrimping waar het kabinet nu in principe toe heeft besloten, laat de Raad overleven en bereikt de beoogde bezuiniging van twee miljoen gulden. Dat is nog altijd een aderlating van dertig procent, maar geen opheffing.

Hoe kon het zo ver komen? De eerste reden is betrekkelijk laag bij de gronds. Topambtenaren en kabinet zagen hun kans schoon, gezien de onenigheid binnen de huidige WRR. De leden, die voor vijf jaar worden benoemd, en hun voorzitter kunnen niet door één deur. Voorzitter Rutten, de vermaarde oud-secretaris-generaal van Economische Zaken, presenteert nog wel eens een rapport, maar kan niet als captain en spelverdeler optreden, laat staan voor zijn Raad opkomen tegen de cynische buitenwereld.

De ambtstermijn van de zittende raad loopt dit jaar af. Niet-herbenoeming van de voorzitter zou het probleem dus hebben opgelost, temeer daar de meeste leden meestal niet eens willen terugkomen. Zij vrezen anders hun wetenschappelijke rijvaardigheid te verliezen. Een ververste Raad zou dus met frisse moed weer aan de slag gegaan kunnen zijn. Dat het kabinet desondanks een bijna-opheffingsplan in behandeling heeft genomen, betekent dat er meer aan de hand is. De WRR is te onberekenbaar. Advies, alternatieven, wat moet je er mee?

Toen de Raad twintig jaar geleden in voorlopige gedaante werd opgericht, bestond een vaster geloof in de bijdrage die de wetenschap bestuur en politiek kon bieden. Een regering die zou beschikken over de knapste inzichten in mogelijk beleid, zou de beste besluiten nemen, was de gedachte.

Het kabinet-Biesheuvel zette de voorlopige WRR neer, het kabinet-Den Uyl in 1976 de eerste definitieve WRR. De kwaliteit van wat daarna volgde, bleek vooral afhankelijk van de individuele brille van de leden, de team-geest binnen de Raad en de vraag of een advies het kabinet toevallig wel of niet goed uitkwam.

Een groot nadeel voor de WRR is zijn lichtvoetigheid. Anders dan de Rijks Planologische Dienst, het Centraal Planbureau en het tegelijkertijd opgerichte Sociaal en Cultureel Planbureau, heeft de kleinere WRR een steeds wisselende bezetting. Dat zorgt regelmatig voor nieuwe ideeën, maar niet voor continuïteit.

De WRR heeft iedere vijf jaar opnieuw een programma, een stijl en een ritme moeten opbouwen. Wel constant was de bewust ingestelde traditie dat een WRR-advies gevolgd hoorde te worden door een "regerings-standpunt'. Dat betekent dat departementale toppen zich steeds moeten instellen op een club slimme eigenwijzeriken die zich niet aan de politieke agenda houden, die door de heersende denkrichting (of het ontbreken daarvan) heenprikken en ook nog van je vragen dat je - in moeizaam overleg met andere departementen - een zinnig antwoord voor de hele regering in elkaar flanst.

Lastig, op het irritante af soms. En als die Raad de verkenning van ontwikkelingen op de middellange termijn verlaat en in grote, actuele thema's grasduint, dan kan die lichte wrevel onmslaan in jaloezie. Want de WRR mag wat topambtenaren nooit mogen, durven of kunnen: zelfstandig nadenken.

Ministers zijn meestal opportunistisch omgegaan met de vruchten van het WRR-denkwerk. Het draagvlak voor verreikende voorstellen is vaak op korte termijn zo gering, dat omhelzen van een WRR-idee politiek even aantrekkelijk is als het aankomen met een nieuw stelsel voor de volksgezondheid. Het rapport Samenhangend Mediabeleid (1982) zei alles al wat nu nog steeds voor de hand ligt, maar was binnen 24 uur de grond in gestampt. Het rapport Basisvorming in het onderwijs (1968) werd positief ontvangen, maar is op een essentieel punt genegeerd: in de dit jaar aangenomen wet moeten de meer begaafde kinderen op de minder snellen een jaar of wat wachten, jammer voor het land, en de minister weet het. Het rapport Allochtonenbeleid (1989) is in wezen nog steeds anathema.

Het heilige gezag van het woord "wetenschappelijk' bestaat niet meer. Dat is geen ramp, het mag ook ORR zijn. Een Raad, die zich nooit heeft laten verleiden tot politiek of serviel nadenken over regeringsbeleid, zou met enig ontzag behandeld moeten worden. Onafhankelijk advies is schaars.