"Ik dacht in het eerste rondje voortdurend: Jezus, wat gaat dit hard'

Ze is nog niet in vorm. Ze is wel in staat tot een krachtige eindsprint. Op de achthonderd meter versloeg ELLEN VAN LANGEN vorige week de wereldkampioene. Kan ze op de Olympische Spelen nog harder?

Ellen van Langen verontschuldigt zich voor de tientallen schoenen, shirts en broeken die in een kamertje van haar Amsterdamse appartement liggen. Alsof een topatlete te veel materiaal zou kunnen hebben. De sponsor stuurt steeds nieuwe spullen, luidt het excuus. Vol trots laat ze haar spikes zien. Op een paar van rood suède brak ze door naar de internationale top met een vierde plaats op het Europese kampioenschap in Split in 1990. Op een wit paar met felle roze strepen liep ze geblesseerd en teleurstellend op het wereldkampioenschap in Tokio in 1991 en liep ze vorige week zondag in Hengelo: “Dit zijn de mooiste en de beste spikes van de hele wereld!” Ze pakt een tas van de grond. Een paar dat deze week met de post arriveerde. Misschien wel nog mooier: “Zou ik moeten wisselen van schoen? Nee, toch maar niet. Het gaat goed.”

Haar voorbereiding op de Olympische Spelen werd doorkruist door een gedwongen rustperiode na een slepende achillespeesblessure. Zou ze op tijd in vorm komen? Van Langen bleek het afgelopen weekeinde sneller dan ze had durven hopen. De 26-jarige atlete is dit seizoen de snelste van de wereld. Met een indrukwekkende eindsprint versloeg ze op de Adriaan Paulen Memorial in Hengelo de Russische wereldkampioene Nurutdinova in een tijd van 1.56,66.

“Ik heb de afgelopen dagen vaak moeten horen dat ik nu favoriet ben in Barcelona. Maar er is een verschil tussen een wedstrijdje winnen en een plak halen op de Spelen. Ik weet dat ik die 1.56 kan herhalen. Maar ik schud die tijd niet zomaar uit mijn mouw. Dat hangt van zoveel dingen af.”

“Misschien wordt er deze week ergens anders wel weer harder gelopen, wordt iemand anders de favoriet. Dan ben ik daar ook weer van af. Liever niet hoor, die beste jaarprestatie vind ik wel zo leuk. Ik heb me in Hengelo ook niet ingehouden, omdat ik nu in Barcelona last krijg van de druk.”

De verwachtingen zijn zo hoog gespannen, zegt Van Langen geamuseerd, dat een zilveren medaille wel eens kritisch ontvangen zou kunnen worden. “Ik weet dat een heleboel mensen teleurgesteld zullen zijn als ik geen gouden plak haal. Maar daar kan ik ook niets aan doen. Dat heb je altijd in Nederland. Als ik straks met zilver wegloop, spring k een gat in de lucht.”

Zondag liep ze hard, niet mooi, vindt ze zelf en vindt haar trainer Frans Thuys: “We zijn nog voorzichtig tijdens de training. We hebben nog niet echt op snelheid en ritme getraind. Daarom kan ze kracht nog niet met soeplesse combineren. Zondag liep Ellen rationeel op kracht. Dat zag er verwrongen uit.”

“Eigenlijk mag ik het niet zeggen als ik 1.56 loop: ik ben nog niet in vorm”, zegt Van Langen. Daarmee wekt ze de indruk dat ze in Barcelona nog harder zal lopen. “Niet harder, maar makkelijker”, corrigeert ze. “Dan kan ik een eerste rondje van 57 seconden lekker mee hobbelen zonder dat het al te veel energie kost. Zondag kostte dat zóveel moeite. Ik lag heus niet voor mijn lol op een vijfde positie. Ik dacht voortdurend: Jezus, wat gaat dit hard! Ik liep met een lange, krachtige pas, als een werkpaard. Ik kon natuurlijk wel harder, maar alleen voor honderd meter.”

“Die eerste zeshonderd meter mag je bijten, mag je moe worden. Maar het moet toch redelijk makkelijk gaan. Het is een verlengde sprint, maar je kunt niet achthonderd meter lang sprinten. Je spieren mogen het eerste stuk pijn doen, toch probeer je ontspannen te lopen. Als ik in vorm ben draait het soepeler, eleganter. Dan bewaar ik meer energie voor de eindsprint.”

“Die laatste tweehonderd meter houdt alles op. Daarom kan ik altijd harder lopen als ik in een eindsprint mensen bij me heb. Ik zag zondag die twee meiden die voor me zaten. En dan is er maar een ding, dat gaat intuïtief, die wil je gewoon pakken.”

“Het ergste, het allerergste komt na de finish. Tijdens de wedstrijd kan ik mijn hoofd omzetten. Dan beuk ik door die pijn heen. Maar na de wedstrijd ben ik gigantisch kapot. Je ziet anderen over de finish komen en gewoon doorwandelen, of dribbelen, of zelfs lachen. Mijn God! Ik ben compleet van de wereld.”

De kracht van Van Langen schuilt in haar eindsprint. “Het komt weinig voor dat anderen mij passeren. Meestal haal ik de anderen op het laatste moment in.” Daarbij kan ze tegen de truc met de ellebogen oplopen. Zondag liet bijvoorbeeld de Roemeense Melinte zich niet zomaar opzij zetten: “In de bocht ging ze steeds verder naar buiten lopen. Helemaal naar baan twee en drie. Ik moest veel meters maken om er om heen te kunnen. En ondertussen zat ze met die elleboog te prikken. Daar baalde ik van.”

“Zelf vergeet ik altijd mijn ellebogen te gebruiken, misschien zou ik dat ook moeten doen. Als je tussen twee tegenstandsters door wil, hoef je een ander niet te duwen, maar je moet ook jezelf niet laten wegduwen. Daarom moet je soms zelf je ellebogen gebruiken. Ik houd er niet van om te prikken. Als een ander sneller is, dan is die sneller. Maar als een ander mijn plek inpikt, zal ik toch mijn ellebogen moeten gebruiken.”

In het dagelijks leven is Van Langen snel aangebrand, ergert ze zich overal aan. Op de baan, vóór een wedstrijd, probeert ze zich te concentreren. “Als een official moeilijk doet, haal ik gewoon mijn schouders op. Ergeren kost energie, die ik beter vijf minuten later kan gebruiken.” Bij een wedstrijd in Brussel, twee weken geleden, ging het voor de eerste keer mis. De atletes waren al uit het trainingstenue, stonden al aan de start. Er volgde een protest van een Spaanse coach die had geconstateerd dat een Belgisch meisje een verkeerd tenue aan had. Van Langen is het gewend dat een wedstrijd vertraging oploopt, als ze nog in haar trainingspak rondloopt. Dan wacht ze geduldig af. “Maar hier stond ik al klaar, moest ik wachten en wist ik niet hoe lang het zou duren. Daarom had moeite met het vasthouden van mijn concentratie. Ik probeerde nog met mijn handen op mijn benen te slaan, maar voelde de spanning wegvloeien.”

Ellen van Langen begon op haar twintigste met atletiek. Ze komt uit een voetbalfamilie en speelde van haar zestiende tot haar twintigste voor Quick '20 in Oldenzaal. “Als rechtsbuiten, de enige positie die ik leuk vond. Heerlijk om achter die bal aan te hollen. Ze ramden die bal naar voren en ik ging er achteraan omdat ik de snelste was.” Totdat de sportleraar op de HEAO haar vroeg eens langs te komen bij een atletiekclub. “Als je begint en hard kan lopen, denk je dat je goed kan sprinten. Dat had ik ook. Maar ik ben niet snel genoeg voor een honderd meter. En hele lange afstanden, zoals vijf en tien kilometer, vind ik gewoon te langzaam. Ik kwam vanzelf uit op die middenafstanden. Ik wil wel kunnen vechten, in een groepje kunnen lopen, stuk kunnen gaan. Het moet snel, hard en explosief. Je mag geen fouten kunnen maken. Dat is de "achthonderd'. Je loopt knetterhard en je moet het toch effe vol kunnen houden. Een sprint is te kort en vijftienhonderd meter vind ik nog steeds een beetje lang.”

Vorig seizoen kwam de eerste tegenslag. Haar linkerachillespees raakte in juni 1991 ontstoken. Op het wereldkampioenschap in Tokio in augustus zat ze met bakken ijs om haar enkel. In de eerste serie werd ze uitgeschakeld. Ze liep met pijn. “Ik zou niet hebben gelopen als het medisch onverantwoord was. De arts Peter Vergouwen, mijn trainer en ik hebben elke dag uren zitten overleggen.” De wedstrijd, zo was de conclusie, zou de blessure niet verergeren. “Je bent daar en je wil lopen. Dat is fanatisme. Als ik het niet had gedaan, zou ik altijd spijt hebben gehad. Nu heb ik mijn best gedaan en is het niet gelukt. Daardoor ben ik sneller over de teleurstelling heen.”

Na het WK besloot ze toch een tijd te stoppen “Een achillespees is een groot risico. Ik ben niet zo jong, maar wil nog wel tig jaar door gaan. Ik had waarschijnlijk te veel getraind. Bovendien zat mijn linker grote teen vast. Die kan ik niet zo ver buigen als mijn rechter teen. Bij het afwikkelen van je voet haal je veel kracht uit je teen. Als die vast zit haal je meer uit je kuit en uit je achillespezen. Die trekkracht moet ergens vandaan komen. Nu hebben we mijn schoenen aangepast, zodat ik wel kan afwikkelen, en hebben we de teen zoveel mogelijk versoepeld.”

De gedwongen rust vertroebelde het uitzicht op Barcelona. Vier maanden stilstand ontnam Van Langen de zekerheid de limiet te halen. In de eerste maanden van 1991 had ze buiten het seizoen haar snelheid "onderhouden' door telkens stukken van zestig meter voluit te lopen. Deze winter begon ze pas in december te trainen. Op de eerste dag twee minuten, drie dagen later tweeëneenhalve minuut. In mei vergrootte ze haar snelheid met sprinttraining op korte afstanden. “Had ik eerder moeten beginnen, vroeg ik me af? In juni, vóór 6 juli, moest ik me kwalificeren. Maar daar moet je op vertrouwen. Als je dat niet kan, moet je ophouden.”

Het vrijhouden van een achillespees is een hele kunst. Eerst hing Van Langen aan een band in het water. Daar maakte ze de loopbeweging zonder dat haar voeten de grond raakten. Toen volgden rustige duurlopen op het gras en in het bos. Daarna kon ze bochtjes draaien op de baan en haar pees belasten. In de komende weken gaat ze steeds hardere klappen maken.

In een sportschool in Diemen bouwt ze op maandag en donderdagochtend ruim twee uur aan haar spierkracht. Als enige vrouwelijke atlete tussen de mannen met verdubbelde spierbundels werkt ze daar in een fel groen pakje het ene toestel na het andere af. Begeleid door een discodreun sleuren haar benen de kilo's heen en weer. De spier mag niet dikker worden, alleen sterker. “Dikker is zwaarder. Dat gewicht moet je meeslepen. Voor een sprint, met een explosie van kracht, mag dat wel. Niet op de middenafstanden, waarbij je explosieve kracht combineert met uithoudingskracht.”

Vijf uur krachttraining per week. Twintig uur per week loopt ze in het bos en op de baan. Ze is amateur en studeert economie aan de Open Universiteit. De kosten van haar sport kan ze net betalen van een aanvulling die ze krijgt van het NOC. Daarnaast schieten Mazda en Asics te hulp. “Ik zou er bij moeten gaan werken, maar dat kan niet, want dan loop ik niet zo hard. Iedereen onderschat dat je naast je training ook moet rusten.” Tot haar spijt is ze niet in staat van haar inkomsten de loonderving van haar trainer, die minder is gaan werken om haar te kunnen begeleiden, volledig te vergoeden.

Op 20 juli vertrekt Van Langen met Thuys en Christien Toonstra, die de tien kilometer loopt, voor een week naar de Algarve in Portugal. Daar is het lekker rustig, stapt ze vanuit het huisje zo de atletiekbaan op en ligt het strand vlakbij. De Nederlandse olympische ploeg vertrekt op 21 juli en groupe naar Barcelona. “Ik wil niet anderhalve week in het olympisch dorp zitten”, zegt Van Langen. “Daar moet je met de bus naar de training. Dat kost alleen maar energie. Ik ga naar Barcelona om goed te lopen. Ik wil de voorbereiding waarvan ik denk dat die het beste is. Bij andere sporten, voor andere mensen, ligt het misschien anders. Ik zou het ook wel leuk vinden andere sporten te zien tijdens de Spelen, maar dan zou ik als toerist moeten gaan en niet als sporter.”