Het rot

Het buurtje aan de dijk werd het Rot genoemd. Kun je nagaan, schreef ik eens in "Vrij Nederland', hoe slecht het daar was. Toen kreeg ik een brief van Cor de Jager, die zei dat rot hier als "een pak' moest worden opgevat, zoals in "een rot soldaten'.

Een rot huizen dus - ze zijn gesloopt en midden tussen die huizen die er niet meer staan, heeft zich een bushalte weten te handhaven. Het bestaat niet dat er ooit iemand in- of uitstapt. Daarom natuurlijk, daarom wordt hij niet opgeheven.

Het bord (zone 6175) hangt aan een lantaarnpaal en draagt als aanduiding: STERK.

Sterk was een familienaam: tante Gert, die heel dun en aardig was, ome Thus, die algauw doodging, en Thuske hun zoon, die ouder was dan mijn vader en weleens met me ging roeien op de kleiputten in de uiterwaard. Ze woonden aan de buitenkant, 's zomers in de schuur, 's winters in huis. Volgens zeggen waren er winters geweest dat ze op zolder woonden; dan stond de rivier in de kamer en dreef de tafel van de ene muur naar de andere.

Op het erf lag een hond aan de ketting, een zekere Tilly, een hangbuikig teefje. Ik zat haar vaak te aaien. Behalve kwispelen had ze weinig te doen. Later was er in Arnhem een meisje dat Tilly heette.

Ook toen werd de bushalte door niemand serieus genomen. De bus stopte waar je je hand opstak. De deur ging sissend open. Je stapte in en nam een kaartje en had al heimwee.