Het koffertje van Pjotr Jakir

Het koffertje van Pjotr ken ik al bijna net zolang als ik Ira ken. Het is van hout, niet veel groter dan een halve meter, en draagt een ijzeren slotje.

Aan de binnenkant van het deksel staat met verf in het Russisch geschreven: "Al wat van mij is draag ik bij me' ("Omnia mea mecum porto', volgens Cicero). In het koffertje zitten kampbrieven van Ira's moeder Valentina aan haar vader Pjotr Jakir. En een handgemaakt poëziealbum met gedichten en tekeningen. Om verf en papier voor dit afscheidsalbum voor Pjotr te bemachtigen spaarden de gevangenen zich het brood uit de mond. Op de laatste bladzijde staat een tekening van een jongeman op een kruispunt van wegen. De wegwijzers wijzen 1951 en 1952 aan. De man slaat de weg naar 1952 in. In zijn hand heeft hij het houten koffertje met de brieven en het poëziealbum, dertig roebel, een pond brood, een pond worst en een officieel document. Pjotr Jakir kiest de vrijheid.

Op dit kruispunt in zijn leven was Pjotr 30 jaar oud. Met een paar kleine onderbrekingen had hij sinds zijn veertiende in dertig verschillende strafkampen gewoond. Zijn laatste kamp lag in de buurt van Igarka, een vissersdorp aan de Jenisej. Met de laatste brief van zijn vrouw op zak liep hij duizend kilometer langs de Jenisej naar het zuiden, naar nederzetting nummer 8, waar Valentina "in eeuwige ballingschap' woonde. Ze schrok zich dood toen er 's avonds opeens op het raam van haar hut werd geklopt. Het was in ballingsoord nummer 8 niet de gewoonte om 's avonds bij elkaar op bezoek te gaan. Angstig deed ze open en zag een man met een zwarte baard en een houten koffertje in zijn hand. Ze kon haar ogen niet geloven, ze had al maanden geen brieven meer van Pjotr gekregen.

Pjotr Jakir was de zoon van Iona Jakir, bolsjewiek, commandant van het Rode Leger en een van de topmilitairen, die in 1937 op last van Stalin werden gearresteerd. Moeder en zoon werden naar Astrachan gedeporteerd. Daar lazen ze in de krant dat Iona was geëxecuteerd. Pjotrs moeder verdween in een kamp en een jaar later werd Pjotr zelf tot vijf jaar kamp veroordeeld wegens "de organisatie van een trotskistische ruiterbende', een beschuldiging waar de jongen niet weinig trots op was. Hij zwierf van jeugdkamp naar jeugdkamp en leerde de wereld van dieven en diefjesmaten kennen als zijn broekzak. Hij rookte hasj, dronk eau-de-cologne en deed een paar vergeefse vluchtpogingen. Hij belandde in de dodencel, werd geslagen en leed honger als alle anderen. Dit alles heeft hij beschreven in Jongensjaren in de gevangenis, dat in 1971 in Engeland verscheen.

De Jakirs waren een welgestelde familie en waarom ze zo nodig aan de revolutie moesten meedoen is Ira nog steeds een raadsel. Dat de halve familie Jakir in de vorige eeuw bij pogroms in Kisjinjov is uitgemoord heeft er ongetwijfeld mee te maken. Iona moet een getalenteerd militair zijn geweest. Hij doorliep in de jaren twintig met lof de militaire academie in Duitsland. De Sovjet-Unie sloot na de Eerste Wereldoorlog met Duitsland een geheim verdrag over militaire samenwerking: omdat de Duitsers na Versailles niet op eigen grondgebied mochten trainen, verlegden ze hun oefenterrein stiekem naar Rusland. Pjotr bezocht zijn vader geregeld en zijn verhalen over zijn reizen naar Duitsland klonken het Siberische ballingenkind Ira als sprookjes in de oren. ""Het enige wat ons nog van mijn opa rest is dit bronzen atletenbeeld met het opschrift "Optimismus bringt Erfolg', dat hij in 1928 bij zijn afstuderen van Hindenburg persoonlijk had gekregen. Dat staat nog steeds hier bij ons in de keuken. En deze foto van oma, opa en vader op vakantie in Duitsland, een jaar voor zijn arrestatie.''

Zoals Pjotrs leven bepaald is door de dood van zijn vader, zo is Ira getekend door de geschiedenis van Pjotr. Zijn levensverhaal heeft voor mij iets exemplarisch voor het sovjet-tijdperk. Het is een onontwarbare kluwen van moed en lafheid, collaboratie en verzet, genegenheid en wreedheid, moedwil en misverstand. Zijn jeugd in strafkampen leidde tot een keuze voor het verzet en zo werd Pjotr de held van de dissidenten. Na zijn arrestatie bekende hij publiekelijk schuld op een geruchtmakend politiek proces. Hij viel diep en stierf uiteindelijk een eenzame dood in een ziekenhuisbed. Pjotr Jakir is de gevallen engel, de verknipte dissident en de gebroken alcoholicus in één persoon. Hij was de lakmoesproef voor een zieke maatschappij.

Na tien jaar strafkamp leerde Pjotr in 1947 in een Mordovisch kamp Ira's moeder Valentina kennen. Hoe hij zijn oog op haar liet vallen, vermeldt de geschiedenis niet. Valentina werkte bij de "crepeerbrigade', de gevangenen die zo verzwakt waren dat ze alleen nog werden ingeschakeld voor licht werk als hout sprokkelen of het kampterrein aanvegen. ""Mijn moeder was na het kamp zo licht,'' vertelt Ira in de keuken van haar Moskouse flat, ""dat ze de lift in huis niet in beweging kon krijgen. Hij merkte haar gewoon niet op als ze erin stapte.''

Valentina kwam uit een gewone familie uit Moermansk. Haar ouders stierven jong, ze is opgevoed door haar grootouders. Haar grootvader Ivan Maximovitsj was machinist. Omdat ze Duits kende werd Valentina in de oorlog als vertaler naar de internationale zeemansclub gestuurd. Na de oorlog leidde dat tot haar arrestatie als Engelse spion. ""De hele vertalersgroep werd om het halve jaar gearresteerd en vervangen. Een half jaar was kennelijk het maximum dat een Rus aan buitenlanders mocht worden blootgesteld. Waarom ze haar tot Engelse spion bestempelden heeft ze nooit begrepen. Ze kende geen woord Engels,'' zegt Ira.

Ira's moeder kwam in de lente van 1948 - ze was inmiddels zwanger - vrij en ging wonen in het dorp Golovinsjtsjino in de provincie Penza. Daar kwam Ira ter wereld, maar anderhalf jaar later werd haar moeder opnieuw gearresteerd en verbannen. Ira's eerste jeugdherinnering is haar moeders deportatie, al weet ze niet meer zeker of het haar later niet zo vaak is verteld dat ze de beelden nu nog haarscherp voor zich ziet. ""Mijn overgrootmoeder hoorde bij toeval wanneer de trein zou vertrekken. We vonden de wagon. Mijn overgrootmoeder tilde mij op en gaf mij door de tralies aan mijn moeder. Maar de wagon zat vol vrouwen die hun kinderen niet meer gezien hadden, en toen ze mij zagen werden ze hysterisch. Iemand greep mij uit haar handen en ze begonnen mij door de tralies heen aan elkaar door te geven. Mijn moeder schrok zich dood! Ze dacht dat de vrouwen mij in hun vertwijfeling aan stukken zouden scheuren! Ze werden compleet krankzinnig bij het zien van een kind. Later vertelde mijn moeder dat ze nog nooit zo'n wijvengehuil had gehoord. Mijn overgrootouders hebben me me uit die graaiende handen weten te bevrijden. Dat meen ik me te herinneren: die tralies, vreemde gezichten, gehuil en handen die zich naar me uitstrekken.''

In nederzetting nummer 8 werd Valentina tenslotte met Pjotr herenigd. Twee jaar later brachten Valentina's grootouders de vier jaar oude Ira naar de Jenisej. Haar moeder herkende Ira meteen, maar de man met de zwarte baard vond ze griezelig. Ze was op haar hoede maar het wende snel. Pjotr was een heel innemende man en iedereen was dol op hem. Nu brak Ira's gouden Siberische jeugd aan. Bessen, paddestoelen, berekoteletten, paardesleeën, altijd buiten spelen in de sneeuw met de kinderen van de duizend bannelingen die hier, bewaakt door soldaten, in de totale leegte van de taiga hun dagen sleten. Pjotr werkte in de houtkap. Valentina was "voor eeuwig verbannen', dat betekende dat zelfs je stoffelijk overschot de taiga niet meer mocht verlaten. ""Dat heeft me altijd verbijsterd,'' zegt Ira, ""dat ze zelfs tot over het graf heen over je konden blijven beschikken.''

Met het poëziealbum van Pjotr leerde Ira lezen. Op haar zesde jaar kende ze de gedichten van Jesenin, Nadson, Bely, Blok en Goethe uit haar hoofd. Veel van die dichters werden toen in Rusland niet uitgegeven. De gevangenen hadden voor Pjotr uit hun herinnering geput en een bloemlezing samengesteld van half verboden dichters. De zoon van een rijke Letse stofffenhandelaar, Karklins, die was gearresteerd na de annexering van Letland in 1940, maakte de waterverftekeningen. Karklins illustreerde de gedichten met zijn dromen, fantasieën en landschappen. Een gedicht van Majakovski kreeg een brutaal masker en een agitprop-mannetje mee, bovenop een berglandschap naast een gedicht over de Altaj tekende Karklins verlangend het silhouet van een naakte vrouw, Omar Khayam werd versierd met een sprookje uit duizend-en-een-nacht. Een gast-tekenaar vereeuwigde een broeierig kijkende zeebonk, uit wiens pijprook zich een schone dame losmaakt. Dit is het boek van Ira's jeugd.

In nederzetting nummer 8 woonden niet alleen politieke ballingen, maar ook criminelen. Bang was Ira niet voor ze. ""Het enige wat ik vreesde waren de dronkemansgevechten. Iedereen maakte zelf braga (een alcoholbrouwsel). De feestdagen waren vreselijk. Ik zag eens twee mannen, tot aan hun middel in de sneeuw, elkaar met messen doodsteken. De sneeuw om hen heen kleurde rood. Alleen op de dag dat Stalin stierf was iedereen dronken, maar werd er toch niet gevochten. Het was een dag van opperste vrolijkheid. De mensen renden door het dorp, gooiden hun bontmutsen omhoog en riepen: hoera, de tiran is de pijp uit. De bewakers schoten in de lucht maar er was geen land met ons te bezeilen.''

Na Stalins dood werd de eeuwigdurende verbanning opgeheven en het gezin vertrok naar Moermansk, waar Ira's moeder nog verre familie had. ""We woonden met zijn negenen in een kamer, mijn ouders sliepen onder de tafel en ik op de hutkoffer in de gang.'' Pjotrs moeder bleek nog in leven. Ze werd doodziek vrijgelaten uit een kamp in Mordovië. Na achttien jaar zagen moeder en zoon elkaar terug. De hele familie verhuisde naar een barak in Podolsk, een voorstadje van Moskou: oma Jakir, Ira's overgrootvader de treinmachinist Ivan Maximovitsj, Pjotr, Valentina en Ira. Het was een raar gezelschap bij elkaar in één kamer. Aan Ivan Maximovitsj bewaart Ira hele goede herinneringen, hij was een vrolijke man, maar hij kon niet op zijn eentje drinken. Hij ging aan tafel zitten, zette de zevenjarige Ira naast zich neer, schonk twee glaasje in en klonk met haar. Ira was dol op hem.

De verhouding met oma Jakir was heel wat moeizamer. ""Zij was haar zoon op veertienjarige leeftijd kwijtgeraakt en hij was in haar herinnering een jochie gebleven. En toen dat joch opeens met vrouw en kind terugkwam kon ze dat niet verwerken. Mijn vader werd razend omdat ze hem als een klein kind bleef behandelen. Bovendien kwam mijn oma uit een sjieke familie van bekende joodse musici en mijn moeder was maar heel gewoontjes. Grootmoeder accepteerde ons totaal niet.'' Ook oma Jakir en overgrootvader Ivan Maximovitsj met hun oor praktisch op één kussen moet een onmogelijke combinatie zijn geweest en oma zal stiekem wel een zucht van verlichting hebben geslaakt toen de treinmachinist de laatste adem uitblies.

Na de politieke rehabilitatie van Iona Jakir mocht de familie terug naar Moskou, waar Pjotr geschiedenis ging studeren. Hij wilde achterhalen wat voor rol zijn vader had gespeeld in de revolutionaire beweging en verzamelde een vracht aan materiaal over de organisatie van het Rode Leger. Intussen werkte Valentina op de ZIL-automobielfabrieken en de kloof tussen de twee werd steeds groter. Beiden raakten stevig aan de drank. Of zijn kampjeugd Pjotr heeft gebroken durft Ira niet met zekerheid te zeggen. ""De belangrijkste leuze in de Stalinkampen was: heden ik en morgen gij. Die voortdurende angst voor de dood berooft je van de mogelijkheid anderen als mensen te beschouwen. Mijn vader kon verschrikkelijke dingen doen die ik hem van kindsaf aan niet heb kunnen vergeven. Iedereen was dol op hem, maar voor ons, zijn naaste omgeving, was hij vaak meedogenloos. Misschien dacht hij zich alles te kunnen veroorloven omdat hij zoveel ellende achter de rug had. Maar niet iedereen heeft zo gereageerd. Mijn moeders zachtmoedige aard was bijvoorbeeld helemaal niet door het kamp aangetast.''

Pjotrs haat tegen Stalin bracht hem in contact met dissidenten. Hij kon het idee niet verdragen dat er een einde kwam aan Chroesjtsjovs destalinisatie. Toch was hij een van de weinigen uit de Stalinkampen, die in het verzet is gegaan. ""De mensen die de Stalinkampen hadden overleefd, namen geen risico's meer, ze waren bang. En dat is heel normaal. Maar een handjevol sloot zich bij de dissidenten aan, mijn vader, Viktor Krasin, ook een zoon van een bekende bolsjewiek, de priester Anatoli Krasnov-Levitin, veel meer waren het er niet. Zij wisten uit eigen ervaring wat het regime een mens kan aandoen, hoe het je kan vernietigen, de grond in stampen. Mijn vader is gemarteld in het kamp en dat is volgens mij een van de redenen waarom hij later door de knieën is gegaan tijdens de KGB-verhoren. Het idee, dat hij weer naar een kamp zou worden gestuurd, werd hem te veel. Hij was doodsbang. Het is een vreemde paradox: met zijn verstand begreep hij dat hij een nieuwe kampstraf niet aan zou kunnen, maar toch kon hij zijn natuur niet beteugelen en moest hij in verzet komen tegen het regime. Daarnaast dronk hij natuurlijk ook vreselijk, en daarom konden ze alles met hem doen wat ze maar wilden. Ik heb ook nooit begrepen waarom iedereen zo'n grenzeloos vertrouwen in hem stelde, terwijl men wist dat hij dronk en een alcoholist is een chantabel mens. Maar men droeg hem op handen. Toen hij gearresteerd werd twijfelden wij er geen seconde aan dat dit tragisch zou aflopen. Het was voor mij een enorme klap toen hij begon door te slaan, maar het verbaasde me niet in het minst.''

Jakir was een van de oprichters van de Initiatiefgroep voor de bescherming van de mensenrechten in de Sovjet-Unie. Ira vond dit allemaal de gewoonste zaak van de wereld. ""Ik had geen afkeer van dissidenten, ik wist immers dat ze om niks werden gearresteerd. Bang was ik niet, nee, je groeide op tussen mensen die het kamp hadden overleefd, dus je dacht in je jeugdige overmoed dat ook jij het wel zou redden. Jeugd is een raar ding, het lijkt je nog wel spannend om te lijden. Pas toen Natasja werd geboren begon ik bang te worden. Ik voelde een enorme verantwoordelijkheid voor haar. Ik wilde niet dat zij zo'n jeugd zou krijgen als ik gehad had en heb toen alle activiteit die tot arrestatie zou kunnen leiden gestaakt. Ik deed alleen nog humanitair werk, materiële steun aan familieleden van politieke gevangenen.''

Zoals ze de perestrojka een wonder vindt, zo vindt Ira het ook nog steeds een godswonder dat er zomaar, uit het niets, verzet is opgekomen. ""Stel je voor, in die vreselijk gesloten maatschappij, waar je zelfs niet aan je familie in het westen mocht schrijven, verscheen opeens een handjevol mensen die buitenlandse correspondenten bij zich thuis gingen uitnodigen. Het was alsof je met blote handen een leeuwekooi binnenging. Plotseling schudden mensen hun angst af en deden dingen waarvoor de staat hen vroeger zou hebben geëxecuteerd. De meesten van hen waren jong en onervaren, maar mijn vader wist wel beter!''

Niet alleen het sovjet-leven, maar ook dat van de dissidenten bestond uit louter rituelen. Huiszoekingen, petities, verboden manuscripten, gefluister en geheime boodschappen op tafelleitjes, mannen met gleufhoeden en opstaande kragen, scheldartikelen in de pers. Dat lijkt allemaal alweer een eeuwigheid geleden. ""Ik herinner me hoe we op een avond met zijn twintigen in een kring zaten, iedereen las een slecht leesbaar overgetypte bladzijde van Aleksandr Avtorchanovs boek De technologie van de macht, een explosief emigrantenboek dat goed was voor zeven jaar kamp. Na lezing gaf je het aan je buurman door. Zo lazen we kringsgewijs in één avond met rode oortjes dat dikke boek uit.''

Net als zovelen hielp Ira bij de samenstelling van de "Kroniek van lopende gebeurtenissen', een samizdatuitgave, die een gortdroge opsomming van arrestaties en machtsmisbruik van de autoriteiten bevatte. ""Ik vind het nog steeds een fantastische uitgave en ben gelukkig dat ik eraan heb mogen meewerken. In die jaren verscheen een Aesopisch sprookje van Jevgeni Schwartz, De draak. Ergens ver achter de heuvels is een grote grot en daar ligt een boek, waarin een onzichtbare hand al het leed van de mensheid opschrijft. Zoiets was de Kroniek. We maakten lijsten met namen van gevangenen. De mensen wisten van het bestaan van de Kroniek en ze wisten dat ze niet onopgemerkt zouden omkomen. Het moeilijkste was het materiaal te controleren, maar tot mijn verbazing is later gebleken dat we heel weinig fouten hebben gemaakt. De KGB heeft in verband met de Kroniek ongeveer 500 mensen ondervraagd en meer dan tien mensen gearresteerd, maar ze hebben slechts onbetekenende fouten kunnen vinden.''

In het huis van Pjotr hebben vier huiszoekingen plaatsgevonden. Een keer duurde het twee volle dagen. Alles werd ondersteboven gekeerd. De telefoon werd afgesloten. De KGB bracht twee getuigen mee, zogenaamd van de straat geraapt. Ze kwamen altijd 's ochtends vroeg. Volgens de wet mochten zij, die tijdens een huiszoeking binnenkwamen, de woning niet meer verlaten. De dissidenten vonden daar een aardige truc op. ""Als bekend werd dat er ergens een huiszoeking was stroomde iedereen toe en in mum van tijd zat de kamer stampvol. De KGB-ers vonden dat erg onaangenaam, ze waren opeens in de minderheid. Mensen brachten flessen drank mee, doorgaans werd het een vrolijke bende, en zij maar schrijven. Soms namen ze de huiseigenaars mee voor verhoor, soms werd je gearresteerd, dat wist je nooit van tevoren. Mijn vader werd in juni 1972 gearresteerd. Vrij snel al deed het verhaal de ronde dat hij doorsloeg. Ik werd voor verhoor opgeroepen en bij mijn vader gebracht. Ik was toen zwanger. Mijn vader wilde dat ik mezelf beschuldigde en de KGB informatie gaf. Het was een gruwelijke confrontatie, ik wil er niet aan terugdenken. Op het proces tegen mijn vader heb ik toen een deel van de schuld op me genomen. Onder druk van de KGB hebben we de uitgave van de Kroniek tijdelijk stopgezet. Later is hij weer verschenen onder naam van een aantal mensen, die de verantwoordelijkheid op zich durfden te nemen.''

Pjotr Jakir en Viktor Krasin werden in augustus 1973 samen berecht en beiden bekenden publiekelijk schuld. Ze noemden de Kroniek een "anti-Sovjetpublikatie" en hoewel ze zelf niet rechtstreeks bij de redactie betrokken waren, gaven ze informatie over tientallen medewerkers. Het was een grote klap voor de dissidente beweging. Jakir werd voor drie jaar naar Rjazan verbannen, maar mocht na een jaar al weer naar Moskou terugkeren. Niet het "verraad" van haar vader, dat voor haar niet onverwacht kwam, maar de reactie van haar omgeving was voor Ira de grootste schok. ""Iedereen wendde zich van hen af en men vergat gemakshalve dat de KGB en de autoriteiten de eigenlijke schuldigen waren. Ze hadden zelfs de tact niet om zich in mijn bijzijn van scheldpartijen op mijn vader te onthouden. Wat het was weet ik niet, misschien angst of een zekere bewustzijnsvernauwing, maar al mijn vrienden wierpen stenen naar mijn vader, en ik had ze voor waardige en intelligente mensen gehouden! Natuurlijk heeft mijn vader mensen verraden, maar wie kent zijn krachten? Ik ken mensen die martelingen hebben doorstaan, maar bij het horen van een huilend kind in de naburige cel door de knieën gingen. Ik heb veel uit die tijd verdrongen. Hoewel iedereen mij heel goed gezind was, heb ik met de meesten gebroken. Ik ben teruggekeerd naar mijn huis, mijn gezin, naar de divan waar jij altijd zo mee spot. Maar weet je wel dat die divan mijn redding is geweest?''

Jakir zelf is er nooit meer bovenop gekomen. Hij begon nog erger te drinken en is negen jaar geleden gestorven. Zijn lever was totaal kapot. Ira heeft niet met hem gebroken, al was hij haar al lang volkomen vreemd geworden.

Mensen overleven een totalitair systeem doordat ze in hun privéleven nissen creëren tegen de hypocrisie van het officiële leven. Maar voor veel dissidenten verdween die scheidslijn tussen de machthebbers en het privéleven. Ook daar blijk je aan te wennen. Iedereen ging er voor de zekerheid van uit dat hij werd afgeluisterd. Op een dag ontdekten de Jakirs een vuistgrote microfoon in een gat in het keukenplafond. De KGB had niet eens veel moeite gedaan hem te verbergen. De flat boven hen bleek leeg te staan. Daar stond de bandrecorder te draaien. Wat de KGB met al dat materiaal gedaan heeft, wordt nu stukje bij beetje duidelijk. Een vriend, die in de nasleep van de staatsgreep deel is gaan uitmaken van de commissie, die de KGB-archieven doorlicht, constateerde

tot zijn afgrijzen dat al die bandjes door ijverige stenotypistes letterlijk, als toneelstukjes, zijn uitgetypt. Miljoenen vellen liggen daar opgeslagen, met iemands hele privéleven tot op de letter nauwkeurig genoteerd. De verdachte in kwestie wordt in de toneelstukjes doorgaans "O' (Object) genoemd. ""Toen hij me vertelde dat hij dossiers had gezien waar ik in voorkwam, ben ik heel boos geworden. Ik wil dat dat allemaal voor vijftig of honderd jaar achter slot en grendel gaat. De zaak van mijn vader telt 250 mappen, misschien kan ik die terugeisen, maar ik ben bang voor die archieven. Dat de KGB-ers dat materiaal lazen, doet me niks. Ik beschouwde ze niet als mensen. Velen waren sadistisch, ze nodigden bijvoorbeeld graag iemands vrouw en minnares tegelijkertijd uit voor verhoor. Aan iedereen zat wel een vlekje en daar chanteerden ze je mee. Hun houding was altijd: Jullie zijn net zulk vuilnis als wij.''

Ira werkt sinds een jaar in Jeltsins Witte Huis, bij de buitenlandcommissie van het parlement. Tijdens de staatsgreep bracht ze drie dagen in het belegerde parlementsgebouw door, op de bres voor de nieuwverworven vrijheid. Het zal wel ergens goed voor geweest zijn, denkt ze achteraf, maar de politieke spelletjes van Jeltsins omgeving staan haar niet aan. Op een dag liet iemand in haar bijzijn de naam Pavel Ivanovitsj Aleksandrovski vallen. Ira veerde op en vroeg hoe de man er uitzag. Pokdalig, klein, onaangenaam: de beschrijving klopte. ""Aleksandrovski was de ondervrager die Viktor Krasin drie maanden met de dood heeft bedreigd. Hij heeft ook mij herhaaldelijk verhoord. Vroeger joeg hij op oorlogsmisdadigers. Hij pochte graag met het verhaal hoe hij in de tajga van Oessoerisk eens met een arrestant in de sneeuw vastraakte. Hij gaf de man een bijl om de auto los te hakken. Had die man geweten, zei hij lachend, dat ik hem naar zijn executie voerde, dan zou hij mij met die bijl hebben doodgeslagen, maar dat wist hij niet en dus hakte hij braaf takken voor onder de wielen van de auto! Aleksandrovski is een sadist. Wat blijkt? Hij werkt nu ergens hoog in het apparaat van vice-president Aleksandr Roetskoj!''

Met een smoes riepen Ira's collega's hem bij Ira binnen. Ze herkende hem meteen en zei: ""Goedendag ik ben Irina Jakir. Kent u mij?'' Aleksandrovski verschoot van kleur en vroeg: ""Hoe zei u?'' ""Ik zei: ik heet Irina Jakir. Kennen wij elkaar niet ergens van? En toen sprak hij een zin uit een toneelstuk van Tsjechov. Hij zei: "Wie zou Irina Jakir niet kennen?' Ik antwoordde hem: "Ik ben geen filmster, wie zou mij moeten kennen? Maar hebben wij elkaar niet eerder ontmoet?' Toen zei hij: "Nee, ik ken u niet.' Mijn keel werd dichtgeknepen, ik kon niets uitbrengen. Ik draaide me om en ben weggelopen.''