DE ONMACHT VAN HET LINKS-LIBERALE DENKEN; Die Linke nach dem Sieg des Westens

Peter Glotz en het populisme in Europa door Peter Glotz 206 blz., DVA 1992, f 36,80 ISBN 3 421 06540 3

Nee, dit is geen tijd voor subtiele stijlfiguren. Neem bijvoorbeeld een paukeslag als deze: ""Of we moderniseren beide delen van Europa, of Europa verdwijnt als geheel in één van de zwarte gaten van de geschiedenis.'' Hier is een essayist aan het woord die zijn lezers, maar meer nog de "politieke elite' van zijn land, wil overtuigen dat we op een breukvlak van de naoorlogse geschiedenis leven en dat de toekomst waarschijnlijk weinig zonnig is.

Peter Glotz is een schrijver-politicus, een type waarvoor we in Nederland terug moeten gaan tot iemand als Jacques de Kadt, schrijver van onder meer Het fascisme en de nieuwe vrijheid en jarenlang PvdA-kamerlid. Glotz is parlementariër voor de SPD en bezette lange tijd de belangrijke post van "Bundesgeschaftsführer' van zijn partij. Tegelijk is hij auteur van een reeks politieke dagboeken en essays, die in vele landen worden vertaald. Onlangs verscheen zijn boek Die Linke nach dem Sieg des Westens, waarin een beeld wordt geschetst van de mentale afwezigheid van de linkse partijen in West-Europa na de omwentelingen van 1989.

Misschien is Glotz het best te typeren met de term die Menno ter Braak ooit voor Jacques de Kadt reserveerde, namelijk "intellectueel strateeg'. De schrille toon van Glotz, zeer vergelijkbaar met die van De Kadt, heeft alles te maken met het conflict tussen "denken' en "handelen', waardoor de schrijver-politicus nu eenmaal altijd verscheurd wordt. Vanaf de oever van het "denken' schreeuwt de criticus zich naar de oever van de macht en daarbij slaat zijn stem niet zelden lelijk over. Het is immers een oude gewoonte om gewicht aan het denken te verlenen door een onzichtbaar maar naderend onheil.

Twee grote vragen beheersen zijn recentste drie boeken, waartoe naast het eerder genoemde ook Die Deutsche Rechte (1989) en Der Irrweg des Nationalstaats (1990) behoren: enerzijds het verlies aan duurzame sociale samenhang van de grote volkspartijen en de opkomst van rechts-radicale bewegingen, en anderzijds de terugkeer van het nationalisme in de Europese politiek. Glotz wil duidelijke scheidslijnen trekken: het rechtse radicalisme en het nationalisme dient bestreden te worden (het domein van het "handelen'), maar hij wil ook doordringen in dit gedachtengoed, hetgeen inlevingsvermogen veronderstelt (het domein van het "denken').

UNIVERSELE WETTEN

Met zijn omschrijving van de links-rechts tegenstelling overlegt Glotz zijn geloofsbrieven: ""Terwijl links van een rationalistisch-deductieve denkwijze uitgaat, beroept rechts zich op het leven; waar links over mensenrechten spreekt en op deze basis een rechtvaardige ordening van de staat ontwerpt, maakt rechts zich sterk voor de instituties, die nodig zijn om de mensen in toom te houden. Terwijl links alle nadruk legt op universele normen en vertrouwt op grondwetten, spreekt rechts van aan ruimte gebonden territoriale beginselen en ontwikkelt het idee van de natie; waar links droomt van de kos-mopolis, stelt rechts haar vertrouwen in de polis.''

De verschijningsvormen van "links' en "rechts' zijn natuurlijk veel complexer, maar door deze gestileerde politieke tweedeling wordt duidelijk waarom "links' haast van nature in een zwakke positie verkeert. Want de rationalist die zegt te streven naar een kosmopolitische wereld, staat niet sterk tegenover degeen die "het leven' en "de natie' belichaamt. Bovendien: wie zich opsluit in zijn eigen politieke cultuur, zoals links vaak geneigd is te doen, verliest al snel het spel om de macht. Het is juist de kracht van een partij als de CDU (of in Nederland het CDA) om zich aan dit denken in tweedelingen te onttrekken.

Glotz vereenzelvigt zich met wat hij de ""rationalistische-deductieve denktrant'' noemt. Daardoor ontwijkt hij het conflict tussen denken en handelen op een manier die vergelijkbaar is met die van De Kadt. Ter Braak verweet De Kadt al in zijn bespreking van Het fascisme en de nieuwe vrijheid ""een rationalistisch schema'' te gebruiken. Hij ergerde zich vooral aan diens pleidooi voor ""een rationalisme dat cultureel verantwoord is, en dat dus plaats biedt voor het irrationele, dat altijd in de natuur, het leven en de cultuur is en zal blijven''. Het commentaar van Ter Braak: ""Hier wordt aan het irrationele gedecreteerd om een spiegelgevecht te voeren, om fatsoenlijk te blijven ... en dus niets anders te zijn dan een bijkeuken van het rationele hoofdgebouw!""

Ter Braak stelde dat De Kadt het conflict tussen "denken en handelen', tussen waardigheid en macht, oploste door begrippen als "democratie' of "elite' eerst te zuiveren van hun ""weerbarstige irrationele elementen'', het waren "alsof'-begrippen geworden. Het valt te bezien of termen als "patriottisme' en "modernisering' die het werk van Glotz bevolken niet onder dezelfde noemer vallen.

Hoe analyseert Glotz nu de opkomst van een nieuwe radicaal-rechtse beweging in Duitsland? Zijn boek daarover, Die Deutsche Rechte, dateert van voor de hereniging, maar bevat nog steeds waardevolle observaties. Glotz spiegelt de opkomst van de Republikaner van Schönhuber aan de entree van de Grünen tien jaar eerder. Wees dat laatste op een verlies aan samenbindend vermogen van de SPD, de opkomst van extreem-rechtse groeperingen wijst op een "schisma' in de CDU/CSU. Voorheen slaagden Adenauer en Strauss er nog in om dergelijke groeperingen onder te brengen in een grote volkspartij, maar onder Kohl zijn de tegenstellingen tussen het nationaal-conservatisme en het christelijk-sociale denken toegenomen. Tegenwoordig gaapt er een kloof tussen de visie van een multi-culturele samenleving en het verlangen naar een etnisch homogene natie-staat dat de "nationaal-conservatieven' drijft.

ÜBERFREMDUNG

De Bondsrepubliek maakt, zo betoogt Glotz, een "populistische episode' door, hetgeen wil zeggen ""dat door een ingrijpende modernisering hele bevolkingsgroepen dakloos zijn geworden''. Niet zozeer het streven naar hereniging, dat voor de val van de Muur eigenlijk een marginaal verschijnsel was, maar veeleer de angst voor "Überfremdung' en verlies van eigen identiteit zijn de aanknopingspunten voor de Republikaner, die met Schönhuber over de meest effectieve "rechtspopulistische' politicus beschikken die tot nog toe in de Bondsrepubliek is opgedoken.

Voor het eerst sinds de oorlog zijn de intellectuele instrumenten voor een nieuw rechts-radicalisme aanwezig. Glotz analyseert verschillende "nieuw-rechtse' denkers die de demografische trends in de Bondsrepubliek centraal stellen. Het dalende geboortecijfer onder de Duitse bevolking gekoppeld aan de immigratie zorgen voor een ingrijpende verandering van de samenleving. Voeg daarbij de vermenging van volkeren die de Europese integratie zal uitlokken en ziedaar de explosieve politieke "grondstof', die op dramatisering wacht.

""De angst voor de "Volkstod' zit diep'', schrijft Glotz. Hij is dan ook oprecht somber. Lang heb ik gedacht, zegt hij, dat de Duitsers het nationalisme tot zijn uiterste consequentie hebben doorgevoerd en daarmee definitief gediscrediteerd hebben, maar nu heb ik vaak het gevoel dat die gedachte een "generatiespecifieke hallucinatie' is: ""Ik ben er niet zeker van dat de meerderheid van de Duitsers op den duur weerstand heeft tegen ideeën over "etnische zuiverheid'.''

Een interessante vraag is natuurlijk of deze diagnose van voor de hereniging, nog steeds opgaat. Is de dreiging van een "schisma' ter rechterzijde in het nieuwe Duitsland afgewend, of zijn de kansen op een virulent nationalisme juist toegenomen? Het antwoord van Glotz neigt naar het laatste: een intelligent opererend rechts-populisme heeft meer aangrijpingspunten dan enige tijd geleden, schrijft hij in Der Irrweg des Nationalstaats.

Verder laat hij zich niet expliciet uit over zijn diagnose van het jaar daarvoor. Zo lijkt hij in ieder geval vergeten te zijn dat hij in september 1989 nog schreef dat ""geen enkele Europese architectuur'' een herenigd Duitsland zou kunnen verdragen en dat daarom definitief van deze mogelijkheid afgezien moet worden. Een jaar later is - zonder enige nadere verantwoording - het verenigde Duitsland uitgangspunt van zijn beschouwingen over de natie-staat en het nationalisme.

DEPORTATIE

Glotz beroept zich op zijn eigen levensgeschiedenis in zijn kritiek op het idee van de natie-staat. Als kind van een Duitse vader en een Tsjechische moeder is hij geboren in Bohemen. Daar heeft hij de vernietigende uitwerking van het nationalisme aan den lijve ondervonden. Eerst de annexatie door Hitler en daarna de massale deportatie van drie miljoen Sudetenduitsers na de oorlog.

Hij polemiseert tegen het principe van de natie-staat en niet enkel om de nationalistische overdrijving daarvan. De natie-staat is in West-Europa redelijk stabiel gebleken, maar de creatie van nationale staten na de Eerste Wereldoorlog in het etnisch zeer gemengde Midden- en Oost-Europa heeft verschrikkelijke gevolgen gehad: taalfanatisme, gedwongen assimilatie, deportatie, en uiteindelijk massamoord. Het idee van een etnisch homogene staat is volgens hem een dwaalweg, die niet snel genoeg verlaten kan worden.

Glotz onderscheidt twee opvattingen van de natie-staat: de natie als politieke gemeenschap van alle staatsburgers, en de natie als "etnische lotsgemeenschap'. Het zal niet verbazen dat zijn affiniteit ligt bij de eerste. De overgang van de leuze ""Wir sind das Volk'' naar ""Wir sind ein Volk'' tijdens de demonstraties in Leipzig en Dresden vindt hij dan ook betreurenswaardig. Het betreft een "manipulatie', die weliswaar heel effectief is gebleken, maar op een tragische manier het volk als democratische gemeenschap ommuntte tot het volk als etnische gemeenschap.

De conclusie van Glotz over de natie-staat is ambivalent. Enerzijds stelt hij vast dat ""het verbazingwekkend is dat dit eenvoudige, haast primitieve idee zo'n werking heeft in Europa.'' Maar hij ziet tegelijk een ""weldadige verzwakking' van natie-staten als Frankrijk en Duitsland. Hoe weldadig die verzwakking zal blijken te zijn, hangt natuurlijk af van de kansen die men het verenigde Europa toedicht. Want mocht de politieke en monetaire gemeenschap niet tot stand komen, dan zou deze verzwakking weleens rampzalige gevolgen kunnen hebben. De kansen voor een rechts-populisme zijn in een ontrafelend staatsverband vele malen groter dan in een stabiele democratische context.

GEMAKZUCHTIGE OMGANG

Glotz hinkt hier op twee tegengestelde gedachten, die hij kan verzoenen omdat hij ze geen van beide tot een eindpunt doordenkt. In 1990 schreef hij nog ambitieus: ""Het nieuwe Europa moet een moderne staat worden: een federalistische, gedecentraliseerde staat, die toch democratisch gelegitimeerd en effectief is.'' Twee jaar later uit hij zeer wezenlijke kritiek op de gemakzuchtige omgang met het vraagstuk van de uitbreiding van de Europese Gemeenschap: ""Niet één keer is de fundamentele vraag naar de politieke orde gesteld: hoe groot en hoe complex kan een multi-etnische staat eigenlijk zijn?''

Maar geldt deze vraag eigenlijk niet ook de huidige Gemeenschap? Kan uit deze twaalf landen wel een gedecentraliseerde, federale staatsstructuur ontstaan die democratisch is en ook nog effectief? Aan deze vraag komt Glotz helaas niet toe. Dat heeft ook gevolgen voor de identiteit die hij het nieuwe Duitsland bij voorkeur ziet aannemen. Hier blijkt wel heel duidelijk de zwakte van zijn betoog en wordt de afwezigheid van de SPD in het proces van de hereniging duidelijker. Glotz pleit namelijk voor ""een heel voorzichtige hollandisering van Duitsland''. Daarmee geeft hij uitdrukking aan het verlangen dat Duitsland een kleine, kosmopolitische, tolerante natie moet zijn - want zo denk hij dat Holland is. Glotz wil als het ware Duitsland kleiner maken dan het is, en daarmee ontloopt hij de verantwoordelijkheid waartoe deze wereldmacht veroordeeld is. Wie zo het "leven' en de "natie' aan zijn politieke tegenvoeters overlaat, moet niet verbaasd zijn als deze vervolgens hun eigen weg gaan.

Ook elders blijkt het "linkse' denken van Glotz tot een krampachtige omgang met het nieuwe Duitsland te leiden. Hij schrijft terecht dat niemand weet in welke richting de collectieve identiteit van de Duitsers zich zal gaan bewegen: ""Een beeld van de geschiedenis met Auschwitz als keerpunt of de terugverovering van normaliteit en nationale trots?'' Dat "of' is fataal, want het sluit uit dat de "herinnering aan Auschwitz' en "normaliteit' in Duitsland op een aanvaardbare manier samen kunnen gaan. Juist op de ontkenning van deze oppositie is het christendemocratische programma gebaseerd. Het patriottisme en federalisme van Glotz blijken "alsof'-begrippen in de zin van Ter Braak. Ergens tussen de wil om te begrijpen en de wil om te bestrijden loopt zijn beschouwing over de natie-staat spaak.

WESTERSE WAARDEN

Twee jaar na zijn pleidooi voor "hollandisering' is de toon dan ook somber geworden. In Die Linke nach dem Sieg des Westens schetst Glotz een grimmig decor waartegen de introverte worsteling van "links' wel schril afsteekt. Het Westen heeft dan wel gewonnen, maar zullen de Westerse waarden het ook winnen?

Veel hangt af van de linkse partijen, die na 1989 verward en defensief hebben gereageerd op de omwentelingen in Europa. Glotz noemt het onvergeeflijk dat ter linkerzijde geen enkel principieel tegenwicht aan het nationalisme is geboden en dat men zich met terugwerkende kracht is gaan schamen voor de ontspanningspolitiek. Verder is er geen serieuze verwerking van de ineenstorting van de planeconomie in het Oosten. In plaats van zich hierover het hoofd te breken, heeft men zich overgegeven aan scholastieke debatten over de vraag of de "links-rechts tegenstelling' nog wel zin heeft, stelt Glotz humeurig vast. En wie zal hem ongelijk willen geven?

De grote vraag, ten slotte, is volgens hem hoe worden ter linkerzijde de krenkingen van de afgelopen jaren verwerkt? Hoevelen zullen nog blijven geloven in een vernieuwd en gelouterd idee van de Verlichting? Glotz erkent dat het vooruitgangsideaal gecompromitteerd is geraakt, maar ""links kan zich niet onttrekken aan het door de eeuwen heen gevoerde gesprek over wat de beste maatschappelijke ordening is''. Het project van "links in Europa' - over de samenstellende delen van deze abstractie zwijgt Glotz verder en men begrijpt waarom - zou volgens hem moeten bestaan uit ""een dubbele modernisering'' van de industriële samenleving van West- en Oost-Europa. Maar hier geldt de vraag opnieuw: past het idee van een gezuiverde Verlichting of moderniteit niet in de galerij van "alsof'-begrippen? En is het geen overdreven verwachting om een zo gigantisch project toe te bedelen aan de linkse partijen in Europa, die te nauwernood het hoofd boven water weten te houden?

Uiteindelijk wijken de diagnose en de ambitie wel erg ver uiteen bij Glotz als hij concludeert: ""Het geestelijk uitgeputte, maar zeer gelouterde en realistische Europa van gematigd rechts zal in handen van het rechtspopulisme vallen, wanneer links in Europa zich niet uit de kramp bevrijdt, waarin ze op een verbazingwekkende manier door het jaar 1989 terecht is gekomen.'' Het innerlijk verdeelde en fragiele bouwwerk van de linkse partijen en bewegingen in Europa als laatste dam tegen het wassende rechtspopulisme? Dan is er weinig reden tot hoop.

Het antwoord op de alleszins reële dreiging van een rechts-radicaal reveil in Europa hangt natuurlijk niet alleen af van de linkse partijen, maar veel meer van het vermogen van de liberale democraten te linker- en rechterzijde om een overtuigend antwoord te geven op de problemen die door Le Pen, Schönhuber, Haider c.s. worden opgeworpen. Wat dat aangaat, is er voorlopig weinig reden tot optimisme. Wie de liberale machteloosheid ziet oog in oog met de opkomende weerzin tegen de multi-culturele samenleving en tegen de nationale vermenging die de eenwording van Europa met zich meebrengt, bedenkt zich wel om Glotz' pessimisme van tafel te vegen.

Toch schieten ook de links-libertaire beginselen waarvoor Glotz pleit tekort. Hij registreert de woelingen rond de nationale identiteiten in Europa, maar heeft zijn hart zo verpand aan de kosmopolitische houding dat hij elke relativering daarvan waarschijnlijk als verraad zou beschouwen. Bij hem dus geen twijfels over het ideaal van de Europese eenwording of een multi-culturele samenleving. Dat tekent het ongemak van intellectuelen als Glotz ten voeten uit.

De onthechting van een deel van de bevolking ten opzichte van de gevestigde politieke elites is wellicht vergelijkbaar met die in de jaren zestig. Met dit immense verschil dat de opstandigheid zich eerder onder een rechts-radicale noemer zal verzamelen dan dertig jaar geleden. Waarom? In tegenstelling tot wat Glotz zegt, is de liberale wereldburgerlijke houding hecht verankerd in de politieke elite. Het is precies deze houding die de culturele vermenging bevordert. En daarom is zij zo omstreden. Het links-libertaire wereldbeeld kan dan ook, anders dan in de jaren zestig, geen vorm geven aan het onbehagen. In deze beperkte zin heeft Glotz meer dan gelijk met zijn waarschuwing tegen het populisme dat ter rechterzijde opbloeit in veel Europese landen; zijn opgeheven vinger zwaait echter in het luchtledige.

Ander hier besproken werk van Peter Glotz:

Die Deutsche Rechte. Eine Streitschrift (1989)

Der Irrweg des Nationalstaats. Europaische Reden an ein deutsches Publikum (1990)