Collectief goochelen

De beperking van de collectieve lastendruk (som van belastingen en premies) die het kabinet Lubbers/Kok dit jaar zegt te realiseren, is deels schijn. Volgens de Hangpuntenbrief 1993, een intern stuk dat minister Kok van Financiën maandag naar zijn collega's stuurde, daalt die druk van 54,1 procent van het nationale inkomen in 1991 naar 53,6 procent dit jaar. Het kabinet zou daarmee precies op maximum uit het regeerakkoord zitten.

Dat het plafond niet wordt overschreden, is echter te danken aan een bijzondere operatie. In 1990 en 1991 vloeide 740 miljoen gulden ten onrechte in de schatkist. Nieuwe informatie leert dat minister Kok dit geld had moeten afdragen aan de sociale fondsen, wat hij dit jaar alsnog wil doen. Nu treedt een technisch probleem op. Belastingen worden bij de berekening van de collectieve lastendruk gemeten op kasbasis. Als Kok nu 740 miljoen gulden belastinggeld afdraagt, betekent dit dat 's Rijks inkomsten over 1992 lager uitvallen. De belastingdruk daalt. De sociale premies daarentegen worden op transactiebasis geregistreerd. Omdat de 740 miljoen eigenlijk in 1990 en 1991 thuishoort, stijgt de sociale premiedruk over die jaren, niet die over 1992. Zo blijft Kok dit jaar binnen de gestelde grenzen.

Op zichzelf is het effect op de collectieve lastendruk in 1992 niet zo groot: 0,15 procent van het nationale inkomen. Als het gaat om de collectieve lastendruk tellen echter, net als bij het financieringstekort, ook de cijfers achter de komma.

Het CDA dringt al vanouds aan op een lagere lastendruk, maar inmiddels is die politieke doelstelling door de PvdA overgenomen. Vorig jaar liep de lastendruk, door lastenverzwaringen uit de Tussenbalans en het vervroegd innen van belastingen (primacheques) op van 52,2 naar 54,1 procent van het nationale inkomen. Hier moest dus wat gebeuren.

Slechts twee maanden geleden voorzag Kok in zijn Voorjaarsnota 1992 dat de collectieve lastendruk dit jaar opnieuw te hoog zou uitvallen: 54,0 procent. Gelukkig - voor Kok - is het Centraal Planbureau sindsdien een fractie optimistischer geworden over de conjunctuur. Ook als het effect op de belastinginkomsten beperkt blijft, zorgt een hoger nationaal inkomen voor een grotere noemer en dus voor een lager quotiënt.

Dank zij deze meevallers is Kok niet langer gedwongen de verhoging van de milieubelasting WABM uit te stellen van 1 juli naar 1 oktober. Dat was nodig geweest als de collectieve lastendruk het maximum zou overschrijden. Nu kan de WABM zonder politieke repercussies worden opgeschroefd.

De sterke stijging van de collectieve lastendruk tussen 1990 en 1992 zorgde ervoor dat het financieringstekort kon dalen. Het volume van de collectieve uitgaven steeg zelfs sneller dan het nationale inkomen. Cijfers van De Nederlandsche Bank laten zien dat de reële collectieve uitgaven in 1991 met 2,7 procent groeiden, terwijl het reële nationale inkomen toenam met 2,0 procent. In 1992 bedroegen deze cijfers respectievelijk 1,7 en 1,0 procent. In 1993 zouden de zaken precies andersom liggen: het volume van de collectieve uitgaven zou dalen, met 0,6 procent, terwijl het nationale inkomen met 1,9 procent zou groeien.

Uit statistieken van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso) blijkt dat Nederland één van de weinige industrielanden is waar het overheidstekort tussen 1990 en 1992 daalt. Een resultaat waar Kok trots op kan zijn. Zijn succes komt echter in een ander daglicht te staan nu blijkt dat de collectieve uitgaven nauwelijks beperkt zijn. Brengt 1993 daarin verandering? Zo ja, dan is Koks succes compleet.