België wil nog niet toetreden tot Eurokorps

BRUSSEL, 4 JULI. België zal niet toetreden tot het Frans- Duitse Eurokorps zolang onduidelijkheid bestaat over de relatie tussen dat legerkorps en de NAVO.

De Belgische minister van landsverdediging Delcroix heeft dat gisteren in Brussel gezegd na afloop van het kabinetsberaad over zijn beleidsnota over de toekomst van de Belgische krijgsmacht.

Dat leger zal sterk worden ingekrompen en per 1 januari 1994 worden omgevormd tot een beroepsleger. Na bijna twee eeuwen verdwijnt de dienstplicht in België. In het parlement zal een discussie worden gevoerd over invoering van een gemeenschapsdienst, op basis van vrijwilligheid, voor jongens en meisjes.

In zijn beleidsnota schrijft minister Delcroix dat België voorstander is van uitdieping van de Europese integratie, met inbegrip van de veiligheidsdimensie waarover afgelopen december op de EG-top in Maastricht werd beslist. “In dit perspectief en in onze geest om de akkoorden van Maastricht verder uit te voeren, zullen wij gevolg geven aan de Duits-Franse uitnodiging om deel te nemen aan de vorming van het Eurokorps”.

Op de vraag wanneer en hoe zijn land zal deelnemen, antwoordde Delcroix gistermiddag dat België twee voorwaarden stelt. Er moet absolute duidelijkheid bestaan over de bevelsstructuur: het Eurokorps moet opereren onder de paraplu van de Westeuropese Unie (WEU), de defensietak van de EG. En er moeten waterdichte afspraken worden gemaakt over de vraag wie met voorrang over de troepen kan beschikken. België wil dat de WEU en de NAVO daarover een protocol tekenen. “We wensen niet dat de NAVO-structuur wordt verzwakt”, aldus Delcroix. “Op dit moment is de NAVO-structuur de beste militaire structuur in Europa”.

De CVP-minister benadrukte dat over dit onderwerp eensgezindheid bestaat tussen zijn departement en dat van buitenlandse zaken, waar de socialistische minister Claes de scepter zwaait. Verleden jaar nog, in de aanloop tot de Europese top in Maastricht, bleek er verdeeldheid te bestaan in de schoot van het toenmalige kabinet. Van socialistische zijde werd toen sterk de nadruk gelegd op de WEU als het militaire luik van de Europese eenmaking, terwijl de toenmalige CVP-minister van buitenlandse zaken Eyskens het primaat van de NAVO naar buiten toe verdedigde.

Momenteel telt het Belgische leger nog 86.000 man: 48.000 beroepsmilitairen, 32.000 dienstplichtigen en bijna 6.000 burgers. In 1997 moet van hen nog ongeveer 40.000 beroepssoldaten en 5.000 man burgerpersoneel overblijven. In die periode zal het defensie-budget bevroren blijven op een gemiddeld jaarlijks niveau van 99 miljard frank (ongeveer 5,5 miljard gulden).

De legerleiding krijgt de komende maanden de gelegenheid om met concrete voorstellen te komen voor de uitwerking van de voorgenomen inkrimping van het leger. Maar minister Delcroix liet er gisteren geen twijfel over bestaan dat de grote lijnen vastliggen, ook al zal er binnen het kabinet nog verder over worden gesproken. Landmacht, luchtmacht en marine zullen niet alleen manschappen kwijtraken, maar ook materieel en taken. Zo zullen bij de luchtmacht de 18 Mirages en ruim 30 vliegtuigen van het type F-16 verdwijnen. De marine moet twee van de vier fregatten te koop aanbieden.

De “historische omwenteling voor de landsverdediging” zal ook gevolgen hebben voor de samenwerking met Nederland. Drie jaar geleden sloten België en Nederland een overeenkomst voor de gezamenlijke ontwikkeling van een nieuw type kustmijnenveger. Gesproken werd daarbij over de bouw van 10 schepen. Maar waarschijnlijk zal België nu afzien van verder deelname. Volgens een woordvoerder van Defensie in Den Haag was het ministerie officieel nog niet op de hoogte gesteld. “Iets gezamenlijk ontwikkelen is altijd goedkoper dan het alleen moeten doen”, zei hij over de mogelijke implicaties.

Volgens minister Delcroix zal België met een sterk verkleind, maar modern en goed uitgerust leger ook in de toekomst aan zijn internationale verplichtingen blijven voldoen, onder andere in het kader van de NAVO. Hoezeer de internationale omstandigheden in het afgelopen jaar zijn veranderd, blijkt wel uit het plan van de minister om - onder het hoofdstukje “het leger in dienst van de natie” - de uitwisseling van officieren met de landen van Centraal- en Oost-Europa aan te moedigen. Daartoe wil de minister de Koninklijke Militaire School van België uitbreiden met een nieuwe internationale afdeling.