Zwaar door de tijd beproefd; Rembrandts portret van Johannes Wtenbogaert

Johannes Wtenbogaert was al vijftig jaar lang een vooraanstaand predikant toen Rembrandt hem in 1633 schilderde. Het "portret van de remonstrantse leidsman', dat op 8 juli in Londen geveild wordt, is van onbesproken authenticiteit en heeft een redelijke richtprijs. Toch vragen kenners zich af of het volgende week wel verkocht wordt. “Wat is er dan mis met het schilderij - meer mis dan met andere 350 jaar oude doeken waarvoor men graag 10 miljoen of meer betaalt omdat ze door Rembrandt geschilderd zouden zijn?”

Wat is er nu makkelijker te verkopen dan een fors, fraai portret door Rembrandt van een van de grote geestelijke leiders van de zeventiende eeuw, van onbesproken authenticiteit, gesigneerd, gedateerd en gedocumenteerd door een dagboekaantekening van de geportretteerde zelf - zou je denken. Het doek is bovendien nieuw op de kunstmarkt: 130 jaar lang behoorde het toe aan dezelfde Engelse familie. En de prijs is redelijk. Ondanks al deze positieve factoren, zijn er toch insiders die betwijfelen of het Portret van de remonstrantse leidsman Johannes Wtenbogaert op 8 juli in Sotheby's Londense veilingzaal, de richtprijs haalt (Sotheby's schat het op "meer dan drie miljoen pond'). Het Rembrandt Research Project heeft zich namelijk in zeer negatieve termen uitgelaten over de toestand van de verfhuid. Er is ook altijd wat.

Het schilderij is een historisch document van de hoogste orde. Johannes Wtenbogaert (1557-1644) was 76 jaar oud en al vijftig jaar lang een vooraanstaand predikant, toen de 27-jarige Rembrandt hem portretteerde. De oude man - Constantijn Huygens noemde hem "een model van absoluut volmaakte welsprekendheid' - had het onderspit gedolven in de doctrinaire strijd tussen twee calvinistische richtingen, de Arminianen en de Gomaristen, over de aard van de predestinatie. In 1610, toen hij "voor het leven' predikant aan het stadhouderlijke hof en het Staatse leger was, schreef hij de beroemde Arminiaanse Remonstrantie. In 1618-19 verwierp de Dordtse Synode echter de Arminiaanse leer. Hun politieke steunpilaar Johan van Oldenbarnevelt werd onthoofd. Wtenbogaert vluchtte het land uit. In 1619 stichtte hij in Antwerpen de Remonstrants-Gereformeerde Broederschap, die gedoemd was een marginale beweging te blijven. Pas in 1626 kon hij terugkeren naar Den Haag.

Wat bracht de ster van de Amsterdamse portretschilders er toe om dit levende symbool van calvinistische dissidentie te schilderen? Was het zijn eigen idee, uit sympathie met Wtenbogaerts leer of bewondering voor diens moed? Of zocht de oude man, misschien getipt door Huygens, de briljante schilder uit?

Gelukkig hoeven we in dit geval onze kunsthistorische fantasie niet van stal te halen. Wtenbogaert zelf geeft de reden. "Wtgeschildert van Rembrandt, voor Abr. Anthonissen', schreef hij op 13 april 1633 tijdens een bezoek aan Amsterdam in zijn journaal. Dit vertelt ons dat het schilderij besteld was door een derde persoon (hoe vaak gebeurde dat zonder dat wij het weten?): de Amsterdammer Abraham Anthonisz. Recht, een remonstrant in hart en nieren, wiens dochter een jaar later met de zoon van Arminius trouwde.

Zitvlees

Iemand die zich graag laat schilderen, moet een zekere mate van ijdelheid en zitvlees hebben; zo niet Wtenbogaert. Van hem zijn weinig portretten bekend. Uit de jaren dertig kennen wij een schilderij van Jacob Backer (1638), nu in bruikleen gegeven door de Remonstrantse-Gereformeerde Gemeente aan het Rijksmuseum, en een ets van Rembrandt (1635). Daar zit de predikant, die ook een produktief schrijver was, met een opengeslagen boek aan zijn bureau. Eronder staat een kwatrijn van de remonstrant die nooit uit zijn ballingschap terugkeerde, Hugo Grotius: "Over deez' man werd door het vrome volk en 't leger wèl gesproken/ maar wat hij preekte werd door Dordrechts dominee's verguisd/ zwaar werd hij door de tijd beproefd maar niet gebroken/ Ziehier Den Haag, uw Wtenbogaert keert naar huis.'

Het schilderij is een levensgroot kniestuk van het type dat Rembrandt eerder gebruikte voor o.a. het portret van Nicolaes Ruts in de Frick Collection, en van Marten Looten in het Los Angeles County Museum of Art, respectievelijk gekocht uit de nalatenschap van J. Pierpont Morgan en geschonken door J. Paul Getty. Mensen van ons eigen slag, deze Amsterdamse kooplieden, dachten de twee Amerikaanse multimiljonairs. De Wtenbogaert straalde eerder politieke macht uit, vond men in de negentiende eeuw, toen men nog niet wist wie de geportretteerde was. In 1811 noemt Giuseppe Longhi hem op zijn ets naar het schilderij een "Borgomastro Olandese'¹ en John Smith, de auteur van de eerste Rembrandtcatalogus, schreef in 1836 dat hij er uitzag als een vroedschapslid. Het doek werd vóór 1860 aangekocht door Baron Meyer de Rothschild van Mentmore, wiens catalogus het Rembrandts "Burgomaster' noemt.²

Hoewel de Wtenbogaert op het schilderij sprekend lijkt op die van de ets met de inscriptie waarin zijn naam wordt vermeld, en in 1871 de regel uit Wtenbogaerts journaal werd gepubliceerd, duurde het tot 1903 voordat de remonstrantse kerkhistoricus en predikant Bruno Tideman de man op het doek identificeerde.³ Toen vielen ook de schellen van de ogen der kunsthistorici, die zich realiseerden dat wat ze tot nu toe hadden gezien, niet de hautaine blik van geld en macht was, maar de "haast meditatieve, wijd geopende ogen waarin diepzinnigheid en de wijsheid van de ouderdom lijken te liggen'.4

Wat is er dan mis met het schilderij - meer mis dan met andere 350 jaar oude doeken waarvoor men graag 10 miljoen of meer betaalt omdat ze door Rembrandt beschilderd zouden zijn? Het Rembrandt Research Project schrijft dat het doek "zo sterk geplet is bij het verdoeken dat de draden van het linnen vrijwel over de gehele oppervlakte door de verflaag zijn gedrukt' en dat "grote delen van de zwarte kleding waarschijnlijk overschilderd zijn, terwijl hetzelfde wellicht geldt voor de schaduwzijde van de neus, delen van de schaduw links op de achtergrond en in het tafelkleed'. De handen "doen onbevredigend aan' en "men moet zich afvragen of dit te wijten is aan het feit dat misschien een assistent bij de uitvoering van een verder eigenhandig werk geholpen heeft'.

Wanneer dergelijke opinies worden geuit over een kunstwerk, dan is weerleggen heel moeilijk. John Somerville van Sotheby's vertelde mij tijdens de bezichtiging van het doek op 25 maart in Amsterdam: “Het Rembrandt Research Project zegt dat ze het schilderij "in uitstekend licht' hebben bekeken. Nu weet ik hoe het hing in Mentmore. Zoals in elk Engels landhuis, was het licht daar alles behalve uitstekend. Ik ben het ook helemaal niet met hen eens over de toestand van het werk. Dat de verflaag geleden heeft door verdoeking mag zo zijn, maar alle verf is aanwezig.”

Uitgeknipt

Mijn eigen indruk van het schilderij is eveneens positiever dan die van het RRP. Als het linnen door de verfhuid heengeperst is, kon ik daar met het blote oog en van heel dichtbij niet meer dan een vaag spoor van zien. De hand stoorde mij inderdaad in Amsterdam, maar enkele uren later was ik van gedachten veranderd. Het geval wilde namelijk dat ik diezelfde avond nog naar Londen moest voor de opening van de Rembrandt-tentoonstelling in de National Gallery. Het eerste schilderij dat ik daar zag was de Belsazar uit dezelfde periode. Daarop komt een uitgestrekte hand voor die dezelfde indruk maakt alsof hij uitgeknipt is en plat, zoals die van Wtenbogaert.

Hoe verklaar je zoiets? Liet Rembrandt een leerling een dergelijk gevoelig passage afwerken? Is het optisch bedrog, veroorzaakt door een slecht gerestaureerde partij eromheen? Ligt het aan het verlies van de bovenste laag verf in de loop van de tijd? Zijn beide handen toevallig door dezelfde restaurateur overgeschilderd? Of zijn ze min of meer zoals wij ze zien door Rembrandt geschilderd? En wat betekent zoiets? Een bewuste afwisseling terwille van een esthetisch doel, een tekortkoming in Rembrandts kunnen, of een smaakverschil tussen hem en ons?

Van het Rembrandt Research Project word je helaas niet wijzer. Bij de Belsazar wordt in het Corpus inderdaad iets gezegd over de variatie in de verschillende handen en over de talloze andere frappante inconsequenties, maar het idee van eventueel werk van assistenten wordt verworpen en de kwestie van overschilderingen wordt genegeerd. De Rembrandt van de Belsazar wordt door het RRP meer vrijheid toegestaan dan die van de Wtenbogaert. De ene mag naar hartelust met rare effecten experimenteren, terwijl het werk van de andere met messcherpe blikken ontleed wordt langs neusbrug en handomtrek op zoek naar tekens van inconsistentie.

Verkoopbaar is een schilderij niet alleen door zijn absolute eigenschappen maar ook door zijn zeldzaamheid. Was de Wtenbogaert de laatste Rembrandt die in onze tijd geveild werd, dan zou iedereen zijn vergrootglas wegdoen en zijn rose bril opzetten. Maar er zijn er nog vijftien à twintig eventueel beschikbaar voor de markt. En de huidige situatie is niet direct bemoedigend. Op 15 april bracht Rembrandts eveneens onberispelijke Daniël en Cyrus voor de afgod Bel zijn (zeer hoge) limiet niet op bij Christie's.

Het zou mij onaangenaam verrassen wanneer de Wtenbogaert op 8 juli hetzelfde lot zou ondergaan. Een prettige verrassing zou het zijn wanneer de oude man weer terugkeerde uit ballingschap. Van de Nederlandse musea kan alleen het Rijksmuseum een aankoop serieus overwegen, maar het Rijksmuseum laat desgevraagd weten dat het geld niet op te brengen is uit de normale bronnen. Wil men deze zeldzame gelegenheid aangrijpen, zullen particulieren het initiatief en het grootste deel van het geld moeten opbrengen. Nederland kennende, ontzuiling en al, vermoed ik dat een herpatriëring van Wtenbogaert van de Remonstranten zal moeten komen. De poging wordt er niet makkelijker op gezien het feit dat acht jaar geleden het Rijksmuseum hemel en aarde bewoog om tien miljoen bijeen te brengen omdat het geen dag langer zonder een Rembrandtportret uit de jaren 1630 kon. Ze kregen het en ons nationaal kunstbezit is daarom gezegend met de "algemeen goed geconserveerde' Haesje Jacobsdr. van Cleyburg. Ruilen?

(1) A Corpus of Rembrandt paintings, deel 2, nr. A80.

(2) Sotheby's catalogus, veiling 8 juli 1992, kavel 86.

(3) B. Tideman, "Portretten van Johannes Wtenbogaert', Oud-Holland 21 (1903), blz. 125-128.

(4) Christian Tümpel, Rembrandt, 1986, blz. 127.