Vanavond breken we uit, fluistert een boze chauffeur

LILLE, 3 JULI. “Vanavond doen we een uitbraakpoging”, fluistert Jan, een vrachtwagenchauffeur die Noordhollandse kaas vervoert. De stemming onder de chauffeurs die de A1 bij Lille blokkeren is aan het omslaan, meent hij. “Dit hou je niet vol.”

Met een collega wil de Nederlandse chauffeur proberen weg te komen uit Frankrijk. Andere chauffeurs durven dat niet aan. “Mijn baas zei ook: kijk of je uit de blokkade kan komen”, zegt Heinz uit Bremen. “Maar als er een steen door de ruit gaat zit ik achter het stuur en niet hij.” Op de viaducten liggen keien en grote balken klaar om uitbraakpogingen te verijdelen, zo heeft hij gehoord.

Midden in de file zijn Franse kentekens in de minderheid. Aan de voor- en achterzijde vormen zij echter een vastberaden meerderheid en daar vinden zo nu en dan schermutselingen plaats.

Een Brit staat vol onbegrip naar een groepje discussiërende Fransen te kijken. Op de vraag of hij bederfelijke waar vervoert antwoordt hij: “Het enige bederfelijke aan boord ben ikzelf.” Zijn lading bestaat uit elektronica. Als de blokkade voor het weekeinde afgebroken zou worden, zegt hij, moet hij toch nog wachten tot na zondag voor hij door kan rijden. “In het weekeinde mag je niet met industriële goederen rijden.”

Een Nederlandse oplegger zonder aanhanger rijdt aan de andere kant van de weg voorbij. Het is een van de "spookrijders' die door de politie oogluikend worden toegelaten. Ze zijn, zegt de chauffeur van de wagen, bijna tot aan de Belgische grens geweest: “Niks gezien!” Volgens hem moet het mogelijk zijn terug naar Nederland te rijden. Als hij is doorgereden en honderd meter verder het nieuws doorgeeft, besluit Jan zijn uitbraakpoging te vervroegen. Hij laat zien hoe de vangrail gedemonteerd moet worden. “Je slaat de pennen uit de borg en dan til je met twee man de vangrail op.” Even later is dat gebeurd en rijden zeven vrachtwagens door de opening. “Misschien kunnen de heren van de pers met hun motor voorop rijden, om te kijken of er misschien mensen zijn die met stenen willen gooien?”, vraagt Joop zenuwachtig.

Hij is de eerste die Nederland bereikt. “Dat viel mee”, zegt hij opgelucht. “Misschien hadden we dat al veel eerder kunnen doen.”

Eerder op de dag tonen vrachtwagenchauffeurs een staaltje van hun improvisatietalent. Een motoragent kijkt toe, nerveus aan zijn fijn-lederen handschoenen trekkend, terwijl vier mannen een berkeboompje onder een vrachtwagen duwen. “Ik zie niks”, zegt hij. “Zurück”, roept een dikke, halfnaakte man tegen de chauffeur. “Nein, nach vorn!” Begeleid door Babylonische bevelen rijdt de Duitse vrachtwagen net zo lang heen en weer over het boompje tot het met een knal doormidden splijt. De mannen juichen en slepen de stammetjes over het asfalt naar een vuurplaats, waar zij zich omheen hebben verzameld. De agent rijdt langzaam weg.

Pag.5: "Ik zie niks', zegt de politieman

De snelweg is leeg. Slechts op enkele strategische knooppunten staan honderden vrachtwagens. De politie surveilleert langs de file en leidt voor de uit vrachtwagens bestaande blokkade het schaarse verkeer om. Voor en achter de blokkade rijdt niemand. Over de secundaire wegen is het voor personenauto's mogelijk om in en uit Frankrijk te rijden. Meer en meer vrachtwagenchauffeurs proberen uit de blokkade te breken.

“Je had moeten zien hoe we die boom uit de grond trokken”, zegt trucker Harry enthousiast. Hij wijst met zijn pilsflesje op het rijtje berken dat nog bovenop het talud staat. Harry is tevreden over het groepje rijders waar hij tussenin is gekomen. Hij heeft het over “zijn” ploeg. Vier Spanjaarden, twee Duitsers, een Belg, een Fransman en twee Nederlanders hebben hutje bij mutje gelegd om hun gedwongen verblijf op de A1 zo aangenaam mogelijk te maken. “We zitten hier vanaf maandagavond half elf. En we houden het nog wel even uit.” De glazen worden geheven, geleegd en weer gevuld. “We hebben alles, alleen de vrouwtjes missen we!”

De sfeer op de snelweg lijkt op die van een zomerkamp. Op de deur van een vrieswagen is een groot karton geplakt waarop uitnodigend staat: “Restaurant A1'. René brengt Franse kippen naar België en Joop voorziet Bretagne van Nederlandse kaas. Nu liggen hun produkten op tafel. Lege flessen wijn liggen in het rond, volle worden opengetrokken. Een Duitser draagt twee bladen met Kronenburgpils aan en Juan zeult een zak aardappels onder zijn cabine vandaan. Keiharde radiomuziek schalt over de snelweg. Overal in de mêlée van opleggers, containers en combinaties klusteren de mannen samen. Met geïmproviseerde tafels en stoelen van pallets, landbouwplastic als dak en uit de middenberm gesloopte afvoerrasters voor de barbecue wordt een vakantiestemming tussen de vrachtwagens gecreëerd. Maar de vrolijkheid is misleidend.

Maar iedereen is gefrustreerd over het gedwongen stilstaan. “Waarom denk je dat ik vrachtwagenchauffeur ben geworden?” Vanonder een pentekening van een schaars geklede dame kijkt de chauffeur dreigend naar buiten. “Om te rijden natuurlijk. Als ik niet van rijden had gehouden was ik dominee geworden. Die moeten altijd blijven stilstaan.”

“Je wilt naar moeder de vrouw natuurlijk. Maar toen een jongen dat gisteren probeerde werd hij in elkaar geslagen.” Weggaan kan niet, beaamt zijn collega, “en je kan maar beter je mond houden ook”. Hij geeft het voorbeeld van iemand die zijn misnoegen kenbaar maakte en de volgende ochtend al zijn lampen stukgeslagen terugvond. “Dat is toch nergens voor nodig!” De chauffeur die dit zegt vervoert plasticbolletjes. Hij rijdt voor een baas en maakt zich weinig zorgen over een eventuele inkomstenderving of over het bederf van zijn vracht. Dat ligt voor menig rijder anders.

“Voor meer dan een ton aan verse biefstuk kan ik morgen weggooien”, zegt een duidelijk aangeslagen chauffeur. “Nog één dag kan ik mijn tomaten koelen”, zegt een ander, “dan is't beurt!” “Die daar”, zegt een derde, “kon al zijn bloemen in de berm dumpen.” Wie de koeling nog aan heeft staan laat de dieselmotor lopen. Vanuit de dorpen wordt olie gefourageerd. Grote plassen dieselolie maken het rijden over de snelweg riskant. Alleen motorrijders kunnen langs de vrachtwagens. Soms alleen stapvoets, zo dicht staan de wagens naast elkaar.

“We zijn de gevangenen van de Fransen”, zo vertolkt Joop een veelgehoorde mening. “Als alle buitenlandse rijders weg zijn, hoeveel Fransen blijven dan nog over?” De mannen knikken.

Onwetend van de anti-Franse stemming om hem heen hakt René uit Arras een van zijn kippen in vieren. “Wilt u opschrijven dat de Franse chauffeurs blij zijn met de solidariteit van hun buitenlandse collega's.” Hij is zichtbaar aangedaan wanneer hij de onderlinge hulpvaardigheid van de gestrande rijders beschrijft. “Dit is de echte Europese samenwerking.” Hij verhaalt over particulieren die pakjes sigaretten uitdelen, boeren die ook achter de staking staan en fruit rondbrengen en de spontane solidariteit tussen volslagen vreemden. Maar in de façade van saamhorigheid zitten al scheuren.