Uit de geheime liefdesbrieven van Freud aan zijn Martha; De graal van de psychoanalyse

Tussen 1882 en 1886 schreef Sigmund Freud ongeveer duizend liefdesbrieven aan zijn verloofde Martha Bernays, met wie hij later zou trouwen.

Van deze duizend brieven zijn er ooit zo'n honderd gepubliceerd door hun zoon Ernst Freud, maar de overige negenhonderd liggen nog steeds veilig opgeborgen in een kluis van de Library of Congress in Washington. Ze zijn daar gedeponeerd door Anna Freud, die niet bepaald gesteld was op al dat gesnuffel in haar vaders privé-leven.

Slechts Freuds biograaf Ernest Jones heeft, onder strikte voorwaarden, de liefdesbrieven mogen lezen. Om toekomstige publikaties te voorkomen heeft Anna bovendien enkele voorzorgsmaatregelen genomen. Vlak voor haar dood heeft zij de sleutel van de kluis gegeven aan een "geheim persoon'. Inmiddels weten wij wie dat is. Het is de bejaarde dr. Kurt Eissler, die destijds als directeur van de Freud Archives vooral opviel door materiaal aan de openbaarheid te onttrekken tot het jaar 2102. Elk verzoek om inzage wordt geweigerd. Niemand mag zelfs in de buurt van de brieven komen.

En zo liggen die brieven daar maar te liggen als de onbereikbare graal van de psychoanalyse. Elke Freud-biograaf droomt ervan een greep te mogen doen in dit materiaal, maar de Library of Congress is iets heel anders dan een Nederlandse bibliotheek. Veiligheidsmensen, met een revolver op de heup, zien er op toe dat niemand zich 's nachts laat insluiten.

De afgelopen week heb ik een groot aantal van die nog niet gepubliceerde liefdesbrieven gelezen. Ik heb ze ter inzage gekregen van de Nederlandse Freud-vorser Han Israels, die van zo'n driehonderd brieven de transcripties heeft gevonden. De transcripties zijn gemaakt door iemand die in de jaren vijftig de brieven, vermoedelijk stiekem, heeft overgeschreven. Israels wil niet zeggen wie die iemand geweest is, want hij wil zijn concurrenten niet op een spoor brengen. Israels voltooit op dit ogenblik een boek over de jonge Freud en hij ziet niet graag dat een ander eerder komt met onthullingen.

Dit stukje is een vooraankondiging. Uit de brieven mag ik overigens niets citeren, want de auteursrechten berusten bij Sigmund Freud Copyrights, een Engelse firma in Colchester. Voor nog ongepubliceerd materiaal geldt namelijk niet de regel dat de rechten vijftig jaar na de dood van de auteur komen te vervallen. Ik kan u echter wel in eigen bewoordingen vertellen wat er zo ongeveer staat in de brieven.

Pag.28: "Götterbilder zu Staub'

Het lezen van Freuds ongepubliceerde liefdesbrieven is een opwindende bezigheid, niet eens zozeer vanwege de inhoud, maar vooral door het besef dat maar weinigen je voor zijn geweest. Ik vermoed dat de brieven tot dusver slechts door zeven mensen zijn gelezen: Martha, Ernst en Anna Freud, Jones, Eissler, Israels en door de mystery-man die de brieven heeft overgeschreven.

Maar schiet op, zult u vragen, wat schrijft Freud aan zijn verloofde dat wij al die jaren niet mochten weten? Om te beginnen spreekt Freud zijn liefje aan met “Mein Süsses Mädchen”, met “Hohe Herring, Süsses Lieb” en als hij werkelijk op dreef is met “Mein theures, heissgeliebtes Mädchen”. Wat Freud in de liefde voor ogen stond, blijkt als hij Martha op 7 augustus 1884 wat cocaïne stuurt. Hij raadt haar aan vier maal daags twee eenheden in te nemen, opdat “ich ein rotbackiges Liebchen zu küssen bekomme”.

De vraag die een fatsoenlijk mens niet dient te stellen en waarvan - u, lezer - het antwoord niet wilt weten, is of de geliefde "het' al voor het huwelijk hebben gedaan. Tot dusver hebben biografen aangenomen dat zulks onmogelijk was in het puriteinse milieu waarin Sigmund en Martha opgroeiden. Toch heb ik na lezing van de brieven ernstige twijfels. Zo schrijft Freud op 29 mei 1886 over een avond, toen Martha naast hem kwam zitten in een “reizendsten Negligé” en hem toestond haar te liefkozen. “Misschien, mijn schat”, voegt Freud er aan toe, “zal ik je spoedig opnieuw liefhebben en dan nog meer en heter dan destijds”.

Maar Freud stuurde Martha niet alleen zoete woordjes, hij vertelde haar ook veel over zijn werk. Daarom staan in de brieven ook opmerkingen die vanuit historisch oogpunt van belang zijn. In de tijd van de briefwisseling experimenteerde Freud met cocaïne. Zo heeft hij lange tijd gedacht dat hij morfinegebruikers met hun verslaving kon genezen door hen als vervangend middel cocaïne toe te dienen. Freud verkeerde in de veronderstelling dat cocaïne nauwelijks bijwerkingen had en zelf niet verslavend was.

In 1884 publiceerde Freud in het Centralblatt für die gesammte therapie het artikel Ueber Coca, waarin hij vertelt zelf het geval “gevolgd” te hebben van een man die door het gebruik van cocaïne van zijn morfineverslaving werd afgeholpen. Uit andere bronnen weten wij dat Freud met deze man Ernst Fleischl bedoelde. Fleischl, een leermeester van Freud, had zich bij een operatie in de duim gesneden en de duim was daarna zo gaan ontsteken dat hij moest worden geamputeerd. Maar de pijn bleef en om die te bestrijden, was Fleischl overgegaan tot het gebruik van grote hoeveelheden morfine. Het was een idee van Freud om Fleischls morfineverslaving te genezen met cocaïne, en in Ueber Coca schrijft Freud dat deze behandelingsmethode met succes is verlopen.

Uit de ongepubliceerde brieven aan Martha leren wij echter iets heel anders. Verschillende malen vertelt Freud dat Fleischl steeds meer cocaïne ging gebruiken. Een keer moet zelfs de deur van Fleischls huis worden opengebroken en treft men de ongelukkige aan in een verwilderde toestand, kronkelend op de vloer. In een brief vermeldt Freud dat Fleischl ten slotte één gram cocaïne per dag gebruikt. Kenners verzekeren mij dat dit een enorme hoeveelheid is. Om daar tegenwoordig aan te komen, moet men heel wat autoradio's stelen.

Wat dit betreft, werd ik getroffen door een bijzonder cynisch detail. Fleischl was een vermogend man en zijn driemaandelijkse bestellingen van 1800 mark aan cocaïne kon hij zonder moeite betalen. Freud daarentegen verkeerde in die jaren in voortdurende geldzorgen. Daarom leende hij nogal eens wat van Fleischl. Op 10 maart 1885 laat hij Martha weten weer een beroep op Fleischl te zullen doen. “Ik ben nieuwsgierig”, schrijft hij er hoopvol bij, “of het mij zal lukken. Lukt het, dan is hij er misschien niet meer, als de tijd komt dat wij aan terugbetalen moeten denken.”

Er valt over deze liefdesbrieven en over de kwestie-Fleisch nog meer te zeggen, maar daarover een volgende keer in een ander verband. Ten slotte nog dit. In een van zijn brieven geeft Freud deze uitspraak: “So seid ihr Götterbilder auch zu Staub.” Freud vermeldt niet van wie dit citaat is. Han Israels vermoedt dat het afkomstig is uit het werk van Von Goethe, Schiller of Shakespeare, maar hij kan de oorspronkelijke bron niet vinden. Misschien is er een lezer die Israels kan helpen.