Theun de Vries over de Dekabristenopstand; Helderziende officieren

Theun de Vries: Sint-Petersburg. Uitg. Querido, 422 blz. Prijs: ƒ 49,90

In een aantekening achterin vermeldt Theun de Vries dat de stad Sint-Petersburg waarnaar hij zijn nieuwe roman vernoemde, ”niet tot mijn ongenoegen' haar oorspronkelijke naam herkreeg toen hij het laatste hoofdstuk schreef. Het heeft bijna iets eigenaardigs dat De Vries, die lange tijd het communisme is toegedaan geweest, zich verheugt en verdiept in de herleving van het oude, tsaristische tijdperk. Maar het is al meteen duidelijk waar zijn sympathie ligt: niet bij ”de Gezalfde', de tsaar en zijn huishouding en ook niet bij Russen en Russinnen die knielen voor iconen en zwelgen in godsvrucht, maar bij de militairen, althans bij het meer vooruitstrevende gedeelte ervan.

Anders dan veel van zijn eerdere historische boeken speelt Sint-Petersburg zich dus niet af in een schilderkunstig of muzikaal milieu en evenmin heeft het een detective-achtige inslag zoals Het hoofd van Haydn of de novelle Rivierlandschap in de winter. Zijn nieuwe roman is nogal beschrijvend, met een onmiskenbaar martiale ondertoon: een mannenboek, om zo te zeggen.

Officierszoon Sergej Sergejevitsj Danilin, de hoofdpersoon, blijkt al in het eerste hoofdstuk een echte jongen te zijn. Hij vereert zijn daadkrachtige vader in wiens stoere militaire voetsporen hij wil treden. Daarentegen legt hij een grote onverschilligheid aan de dag voor zijn altijd zoet spelende zusje en zijn vrome moeder, die niet erg van wanten weet. Elke keer als zij in beeld komt, put De Vries zich uit in adjectieven om haar dadenloze damesachtigheid te benadrukken. In de zomer geeft zij zich bijvoorbeeld over aan ”haar quasi kwijnende luiheid, waarbij ze in fladderend wit of theeroosgeel gehuld meestal gestrekt lag op of in een op een reuzenmand lijkende tuinbank vol kussens'.

In het algemeen komen de vrouwen er wat bekaaid af. Als zij niet saai en sloom zijn, dan zijn ze wel listig en sluw, of koel en berekenend en zijn ze er met hun ”spotzieke schoonheid' en ”raadselachtige vrouwenlachje' op uit om onschuldige jongens en mannen het hoofd op hol te jagen. Toch zijn de meeste mannen in dit boek, ondanks hun hoekigheid, niet onsympathiek. Sergej en zijn vrienden behoren tot een bijzonder slag militairen omdat zij niet uit zijn op gewone veldslagen, maar op staatshervormingen. Zij beramen in de jaren twintig van de negentiende eeuw, geïnspireerd door de Franse revolutie en door verlichte denkers, een komplot tegen de tsaar. Zij verzetten zich tegen wat zij ”de barbarij' noemen: de enorme tegenstelling tussen arm en rijk, het lijfeigenschap, het mishandelen van ondergeschikten, de verklikkers- en aangeversmentaliteit, de bureaucratie, de corruptie, het analfabetisme en de gewoonte om mensen voor het minste vergrijp naar Siberië te verbannen.

Ze doen modern aan, de hervormingsplannen van de republikeins gezinde officieren die gegrondvest zijn op de begrippen vrijheid, gelijkheid en broederschap. De samenzwering die op touw wordt gezet lijkt een vroege voorafschaduwing van de oktoberrevolutie die een kleine eeuw later zou plaatsvinden. Sergej geeft blijk van een helderziende blik. “”Het is een gedachte die iemand soms kan laten duizelen,' zei hij. ”De Russische republiek... dat klinkt als de geschiedenis van een volgende eeuw'.” Theun de Vries maakt duidelijk dat de staatsgreep wel moest mislukken. In theorie waren de officieren wel voor gelijkheid en broederschap, maar in de praktijk maakten zij maar al te graag gebruik van hun oude, feodale privileges.

Toch is na het jarenlange gedelibereer van de officieren de zogeheten Dekabristenopstand van 14 december 1825, waar de hele roman om draait, een wat teleurstellende aangelegenheid. Theun de Vries kan er natuurlijk ook niets aan doen dat de geschiedenis zo gelopen is, maar hij besteedt wel erg veel aandacht aan de voorbereiding van een opstand die met het grootste gemak in de kiem is gesmoord. In de middelste drie hoofdstukken van de roman verliest hij zich in namen, familiedetails, gesprekken en historische bijzonderheden. Hij is een verteller van de oude stempel, en zoals de meeste vertellers niet erg zuinig met woorden. Zijn lange en plechtstatige zinnen, tot de nok toe gevuld met informatie, doen wel eens verlangen naar spitsere formuleringen, naar suggestievere passages en naar wat meer leven in de brouwerij. Weinig opwindend zijn de uitgebreide persoonsbeschrijvingen, waarmee hij de romanfiguren toch niet naderbij weet te brengen. Ze gaan bij wijze van spreken het ene oog in en het andere weer uit, omdat ze zoals zoveel uitweidingen in deze roman, alleen geschreven lijken uit een ouderwetse drang naar volledigheid. Dit wordt bijvoorbeeld opgemerkt over Pestel, een van de toonaagevende samenzweerders: “De vierentwintigjarige majoor Pavel Ivanovitsj Pestel was, als men de meetstok hanteerde, tussen de meeste garde-officieren (-) klein van stuk. Slank en wat zijn proporties betreft als gemodelleerd naar een antiek marmeren voorbeeld maakte hij niet de indruk klein te zijn; eerder van een ingehouden energie en gestaalde kracht. Hij droeg ook al in Romeinse stijl het krullend haar kort, met het dunne streepje van een bakkebaard langs zijn oor. De oren zelf waren klein en schelpvormig, zijn neus onrussisch lang en dun; de kin kort en krachtig met de schaduw van een kuiltje; de als heel het gezicht fijnbesneden lippen spitste hij dikwijls onbewust toe, een gedachte proevend.”

Veel aardiger dan het langgerekte en statische middendeel zijn het eerste en het laatste hoofdstuk. Begin en eind van de roman zijn prettig onvoltooid. De jeugd van de jonge held Sergej breekt halverwege eenvoudig af, terwijl over zijn droevige Siberische bannelingenlot het laatste woord ook niet gesproken wordt. De geschiedschrijving vaart waarschijnlijk wel bij volledigheid, maar de literatuur gedijt toch meer bij onaffe levens en onopgeloste raadsels.