Prenten

Veel van Dürers schilderijen zijn indrukwekkend mooi vanwege hun halsstarrigheid.

De Duitse kunstenaar die iets anders wilde dan wat hij thuis vond, ging naar Venetië waar hij verkeerde in de omgeving van de oudere Gian Bellini. Daar probeerde hij de souplesse van de Italiaanse schilderkunst onder te brengen in het veel stijvere en spitsere laatgotische raamwerk van zijn eigen idioom. Daarin was hij zeer halsstarrig. Maar, zoals ongeveer alle Duitse kunstenaars tot vandaag aan toe, had hij moeilijkheden met de kleur. Bij Dürer werden kleuren veel harder. Hij had geen gevoel voor het atmosferische. Rembrandt, die de de Venetianen ook liefhad, had dat wel - en misschien heeft dat te maken met de nabijheid van de zee, het heiige weer dat daar zo typisch is. Dat atmosferische is ook kenmerkend voor het kleurgebruik van de Deen Per Kirkeby terwijl het bij Penck uit Dresden eigenlijk niet voorkomt.

Mooier nog dan de schilderijen van Dürer zijn, naar mijn mening, zijn gravures en houtsneden. Ze zijn zoveel preciezer in hun uitdrukking. Hun programma, de vertaling van de Italiaanse stijl voor noordelijk gebruik te maken, werd ook met echte programmatische ijver uitgevoerd. Ze zijn compleet en autonoom; daarom waren ze waarschijnlijk ook zo invloedrijk. Grote kunstenaars als Rembrandt bezaten ze en maakten er ook gebruik van.

De laatste decennia is de grote kwaliteit van prenten vaak onderschat. In de tijd van de Pop Art werden de grafische technieken veelal gebruikt om goedkope reprodukties te maken van duurdere schilderijen. De goede naam van de edele prentkunst deed dat geen goed. Toch werd ook in die jaren, en ook nu, de grote grafische traditie van de peintre-graveur (die schittert met namen als Goya, Manet, Picasso en Kirchner) hooggehouden door Judd en Rainer - en vooral door Baselitz, Kirkeby en Penck. Er zijn echter nauwelijks mensen die zulke prenten integraal verzamelen. Het is nog steeds kunst van de tweede garnituur terwijl toch menig prentenkabinet er trots op zou zijn de grafiek van Dürer of Rembrandt compleet te hebben.

Dezer dagen bereikte mij een catalogus van litho's, 1982-1991, van Penck (Maximilian Verlag - Sabine Knust, München 1992). Ondanks dat die bladen vrijer, intutiever zijn dan die van Dürer, valt mij bij Penck datzelfde koppige, programmatische karakter op. Net zoals Dürers prenten een helder "onderzoek' zijn naar de Italiaanse stijl, zo onderzoekt Penck verschillende methodes in de twintigste eeuw (Picasso, Kandinsky, Beckmann, Baselitz, Beuys) om ze te kunnen veroveren. Dat bijna agressieve karakter van de prenten maakt ze ongemeen spannend. Voor die ervaring kan men trouwens ook nog terecht in Pencks, met zestig etsen verluchte roman ICH, der Tourist, fast 7 Jahre, 7 JAHRE WEST (Der Übergang), verschenen in 1990 bij Gachnang & Springer, Bern-Berlin.