Op een ochtend vielen alle dieren plotseling ...

Op een ochtend vielen alle dieren plotseling omhoog. Ze vielen niet ver, maar toch een heel eind.

De olifant viel tot halverwege de linde, de snoek tot aan de pluimen van het riet, de schildpad tot de onderste tak van de eik en ver weg, in de oceaan, viel de walvis tot aan een dikke grijze wolk.

De mol en de aardworm vielen dwars door de grond omhoog tot in de rozestruik en rilden van het zonlicht dat hen stak.

Iedereen bleef wel ergens hangen en keek verbaasd naar beneden.

De eekhoorn hing boven de top van de beuk, naast de mier die nog net op tijd een potje honing mee had kunnen nemen.

“Wij hangen hier wel goed”, zei de eekhoorn.

De mier hield het potje stevig tegen zich aangeklemd. Hij was bang dat de honing uit het potje omhoog zou vallen en misschien wel uit het gezicht zou verdwijnen.

“Voorlopig hangen wij hier goed”, zei hij.

Aan de rand van het bos hing de neushoorn in de takken van de spar. Kleine naalden prikten in zijn neus en in zijn oren.

“Wie gaat hier eigenlijk over?” riep hij luid om zich heen.

Niemand wist dat. Alleen de boktor, die boven de populier hing, had een vermoeden.

“Niemand gaat hier over!” riep hij.

“O”, riep de neushoorn misnoegd.

Het was nog vroeg in de ochtend. De zon klom boven de bomen uit en de meeste dieren glinsterden of glommen en draaiden langzaam in het rond in de wind of zweefden van de ene boom naar de andere.

Maar niet lang daarna viel iedereen plotseling weer naar beneden, de oceaan in of de grond in of op het gras aan de oever van de rivier.

De eekhoorn en de mier vielen dwars door het dak van het huis van de eekhoorn en kwamen aan weerszijden van de tafel precies op twee stoelen neer. De pot honing viel iets langzamer en kwam even later tussen hun in op de tafel terecht.

De mier stond meteen op en keek in het potje.

Hij knikte opgelucht en zei:

“De honing is ook naar beneden gevallen.”

“Dat komt goed uit”, zei de eekhoorn, want hij had nog niets gegeten en hij hield van honing, vooral van de beukenhoning die in dat kleine blauwe potje zat.