Nooit naar de Bank van Lening; De toekomst van de Amsterdamse kunstenaarsverenigingen

Al bijna honderd jaar hebben Amsterdamse kunstenaarsverenigingen de mogelijkheid in het Stedelijk Museum te exposeren, sinds 1954 in de Nieuwe Vleugel. Er was van alles te zien, van "vorige-eeuw-landschapjes' tot openhartige paringsscènes. Maar niets is voor de eeuwigheid, vindt de gemeente; de kunstenaars moeten wijken voor de uitbreiding van het museum. “De Nieuwe Vleugel is altijd belangrijk voor ons geweest. Als wij daar niet meer kunnen exposeren, zullen de verenigingen wel naar de knoppen gaan.”

Naast het rode bakstenen pand van het Stedelijk Museum in Amsterdam staat een witgekalkt bijgebouw. Een opvallend bord tegen de gevel aan de Van Baerlestraat vestigt de aandacht op de tentoonstelling De Grote Utopie. Achter een gordijn, dat even open staat, gaapt een lege ruimte. De Nieuwe Vleugel, gebouwd in 1954 en al lang niet nieuw meer, vertoont uitdagend kale wanden, alsof het Stedelijk niet al jaren kampt met een gebrek aan expositieruimte.

De Vleugel is in de zomermaanden het domein van het Stedelijk Museum, maar zes tot zeven maanden per jaar houden de Amsterdamse kunstenaarsverenigingen er hun groepsexposities. Over een jaar echter zal de drank ophouden te vloeien op de soms drukbezochte openingen, want de gemeente heeft de verenigingen per 1 juni 1993 de wacht aangezegd. Zij moeten, zeer tot hun ongenoegen, wijken voor de voorgenomen uitbreiding van het museum.

De kunstenaars hebben plannen hun uitzetting desnoods tot voor de rechter aan te vechten, als hen geen redelijk alternatief wordt geboden. Al bijna honderd jaar hebben zij de mogelijkheid in het Stedelijk Museum te exposeren. Bij de oprichting in 1895 zou in de statuten zijn vastgelegd dat het museum mede voor Amsterdamse kunstenaars gebruikt zou worden. Die statuten zijn echter zoek. En dan nog, "niets is voor de eeuwigheid', heeft de gemeente al laten weten. De kunstenaars exposeerden eerst in het museumgebouw zelf, maar toen in 1950 de gemeente de beschikking kreeg over het zogenoemde legaat Vom Rath besloot men van dat geld in de tuin van het museum de Nieuwe Vleugel te bouwen en die een deel van het jaar af te staan aan de verenigingen. Een gemeenteraadslid meende indertijd zelfs dat de verenigingen een goed tegenwicht zouden vormen voor de "uitheemse rariteiten' en het "smaakbederf' van het Stedelijk.

Generaties museumdirecteuren hebben zich verzet tegen de aanwezigheid van de plaatselijke kunstenaars, omdat zij hen zagen als een hinderlijk obstakel op hun weg naar expansie en internationalisering, en ook omdat zij kritiek hadden op de kwaliteit van de exposities. De huidige directeur dr. W.A.L. Beeren schreef in een brief van oktober 1986 aan B en W dat de samenwerkende kunstenaarsverenigingen niet meer representatief waren voor de artistieke bedrijvigheid van Amsterdam en in artistiek en sociologisch opzicht niet voldoende interessant waren om nog langer onder één dak met de collectie van het Stedelijk te zitten. Zijn voorganger E. de Wilde liet ooit een bordje plaatsen waarop stond: "Deze tentoonstellingen vallen buiten verantwoordelijkheid van het Stedelijk Museum'. “Ik heb er toen eenzelfde soort bordje onder gehangen met de tekst dat de tentoonstellingen van het Stedelijk niet onder verantwoordelijkheid van de Amsterdamse kunstenaars vielen”, zegt Ernst Vijlbrief, bestuurslid van Universal Moving Artists, een van de exposerende verenigingen. “Beide bordjes waren toen snel verdwenen. Dat ging toen nog in een plagerige sfeer. Maar Beeren wilde echt de kogel door de kerk. En dat is hem gelukt”.

Dringen

Zo'n twintig jaar geleden heeft men de krachten gebundeld in de stichting Samenwerkende Amsterdamse Kunstenaarsverenigingen, de SAK. Op dit moment bestaat de SAK uit vijftien verenigingen, die in ledenaantal variëren van ongeveer 25 tot ruim 250. Het zijn geen gezelligheidsverenigingen, het doel is samen exposeren. Recent zijn er door de gemeente nog vier tot het Stedelijk toegelaten. Niet tot ieders tevredenheid, want het was al dringen op de twee verdiepingen van de vleugel. De SAK vertegenwoordigt een bonte stoet van verenigingen van beeldhouwers, schilders, aquarellisten en tekenaars, maar ook van illustratoren, fotografen, grafische vormgevers, edelsmeden en ontwerpers. Iedere club heeft recht op drie weken expositietijd per jaar.

Volgens bestuursleden van de verenigingen zijn er hele goede tentoonstellingen bij, maar zij geven grif toe dat het niveau nogal wisselt, van "vorige-eeuw-landschapjes' tot de meest geavanceerde vormgevingsobjecten. De meeste kunstenaars van naam hebben ooit in een vereniging gezeten. Er vallen namen als Jan Sluyters, Piet Mondriaan, Leo Gestel, Kees van Dongen, Hildo Krop, Karel Appel, Constant, Carel Visser en Jan Sierhuis. Maar, zo waarschuwt men, ook onder de onbekenden kunnen zich nog talenten verschuilen die pas door latere generaties zullen worden ontdekt.

Een paar clubs zijn heel oud, zoals het meer dan honderd jaar oude Sint Lucas met vele, wat oudere beeldhouwers en schilders als lid. Andere zijn van recenter datum. Na de oorlog had een herschikking plaats. Zo werd in de jaren vijftig De Keerkring opgericht als een figuratief-realistisch tegenwicht tegen de abstracte stromingen in de kunst. De Keerkring telt niet meer dan 25 leden, maar die waren meestal wel "fors van de tongriem gesneden', zegt voorzitter Paul ten Hoopen. Onder hen bevonden zich onder anderen Jan Sierhuis, Rik van de Mey, Theo Daamen, Peter Vos en Cor Jaring. Men schilderde volgens wijlen beeldend kunstenaar, tandarts en Keerkring-lid Max Reneman "opa en oma, huisje, boompje, beestje, bloemen en bloot, de duivel en z'n ouwe moer'. De Keerkring nodigde voor de groepsexposities ook andere kunstenaars uit, onder wie Carel Willink en de Franse tekenaar Topor, en had nauwe banden met ondergravers van het gezag in de jaren zestig als Robert Jasper Grootveld. “De Nieuwe Vleugel is altijd belangrijk geweest voor ons”, zegt Ten Hoopen. “Wij lieten onze leden altijd vrij om op te hangen wat zij wilden. Bij andere verenigingen maakt het bestuur meestal een keuze. Als wij daar niet meer kunnen exposeren, zal de vereniging wel naar de knoppen gaan.”

Paringsscènes

De kunstenaars hechten groot belang aan hun plek in het Stedelijk, zeker nu ook Museum Fodor als expositiemogelijkheid voor Amsterdamse kunstenaars moet verdwijnen ten behoeve van een landelijk vormgevingsinstituut. Voor kunstenaars van naam is het niet zo ernstig, zij zijn meestal aan galeries verbonden. Zij verlaten de verenigingen ook vaak als zij voldoende bekendheid hebben. Maar voor anderen betekent lidmaatschap van een vereniging een kans om voor een luttel bedrag te kunnen exposeren in een druk bezocht museum. De contributie van een vereniging kost tussen de 50 en 400 gulden per jaar. Exposeren in een galerie bedraagt meestal een veelvoud daarvan.

Universal Moving Artists, in 1965 begonnen als een internationaal uitwisselingsproject van beeldend kunstenaars, richtte eerder dit jaar in de Vleugel als protest een beeldentuin in, die was geïnspireerd door het dorpje Ruigoord - eveneens een kunstenaarsbolwerk dat met opheffing wordt bedreigd en waarmee UMA nauwe banden heeft. “Op de opening verschenen zo'n 5000 mensen. Dus kennelijk bestaat er enorme interesse voor”, zegt Vijlbrief. De UMA telt 25 vaste leden, maar nodigt voor hun presentaties, die meestal tot doel hebben "een bepaald sfeertje op te roepen', ook andere beeldende kunstenaars, dichters en musici uit.

UMA zorgde meermalen voor opschudding, onder andere met de openhartige paringsscènes van Aat Veldhoen. Vijlbrief: “Aat wilde zijn schilderijen altijd het liefst voor de ramen. Daardoor gebeurden de vreselijkste dingen in de Van Baerlestraat. Mensen hingen uit de trams, auto's botsten. We hebben ook eens een bord met "totale uitverkoop' opgehangen. Toen kreeg het museum een brief dat dat niet mocht omdat het geen uitverkooptijd was. Op een dag hebben Beeren en Dippel, de hoofdconservator, zelf de verfroller ter hand genomen, de ruiten gewit en gordijntjes opgehangen. Daarom staat er nu zo'n dood hok waar je niet doorheen kunt kijken.”

Een van de grotere verenigingen is de bijna 75 jaar oude Nederlandse Kring van Beeldhouwers, waaruit grootheden als Hildo Krop, Mari Andriessen en Leo Gestel zijn voortgekomen. Beeldhouwer Henk Hesselius is lid van de "Kring' en tevens SAK-bestuurslid. “Jaren geleden stond het pand hiernaast, het voormalige gebouw van de posterijen waarin nu het conservatorium zit, te koop voor twee miljoen gulden. Het is gebouwd in dezelfde stijl als het Stedelijk en men had prachtig een loopbrug kunnen maken van het ene gebouw naar het andere. Dan was er ook voor ons ruimte genoeg geweest. Men vond twee miljoen toen te duur. Nu kost de uitbreiding 60 miljoen. Voor dat bedrag kan men natuurlijk best met de aannemer afspreken dat er een ruimte voor de Amsterdamse kunstenaars wordt neergezet.”

Laden en lossen

De gemeente heeft vorig jaar in een motie toegezegd met een gelijkwaardige vervangende ruimte te zullen komen, maar over de juiste interpretatie van die motie wordt nog door juristen van beide partijen touwgetrokken. Voor de kunstenaars betekent "gelijkwaardig' vooral: op of bij het Museumplein. De tot nu toe ter sprake gekomen locaties betitelt Vijlbrief als "flauwekuldingen'. De voormalige bioscoop Du Midi ("een rune die ingrijpend verbouwd moet worden'), het BKB-gebouw aan de Overtoom ("een soort garage die te decentraal ligt') en de Westergasfabriek aan de Haarlemmermeerweg ("een uithoek waar geen hond komt') kunnen de toets der kritiek niet doorstaan. De kunstenaars zelf hebben al voorgesteld het onlangs door een conflict met de gemeente gesloten Museum Overholland aan het Museumplein voor de SAK in te richten. Het jongste aanbod van de gemeente, de voormalige Bank van Lening aan de Nes, stuit eveneens op bezwaren. De straat zou te smal zijn voor het laden en lossen van grote tentoonstellingsobjecten en men verwacht er ondanks de ligging in het centrum een dramatische daling van het aantal bezoekers.

Zo riant als in het Stedelijk Museum, in het hartje van het toeristenkwartier, zal het waarschijnlijk nooit meer kunnen worden. De verenigingen profiteren er van de faciliteiten van het museum. Bewaking, licht, verwarming en transport worden door het museum verzorgd. Hesselius: “Medewerkers van het museum verlenen hand- en spandiensten bij het ophangen van kunstwerken, we gebruiken sokkels en vitrines van het museum. In de vleugel zijn vaak grote projecten, ook van de vormgevers. Soms krijgen we dingen aangeleverd van sponsors, zoals een gigantische staalconstructie, of 26 pallets met stenen. Die worden op de stoep gedeponeerd, die brengen ze echt niet voor je naar binnen. Het Stedelijk beschikt over transportmiddelen om dat naar binnen te brengen. Als dat allemaal wegvalt, krijg je problemen. De verenigingen kunnen het niet betalen, die zijn zo arm als een kerkrat. Bovendien zitten we nu maar de helft van het jaar in de vleugel. Een nieuwe ruimte moet je over het hele jaar gaan verdelen. Dat is altijd onvoordeliger.”

De eerste vier jaar is er in ieder geval een bijdrage van de gemeente te verwachten. Maar of die in een volgende kunstenplanperiode gehandhaafd zal blijven, is maar de vraag. De kunstenaars, die sinds de opheffing in 1988 van de Beeldende Kunstenaarsregeling het kunstklimaat in de hoofdstad steeds verder afgekalfd zien, zijn bang dat hun vertrek uit het Stedelijk het begin is van een definitieve "afvloeiingsregeling'. En gezien de recente geschiedenis van Museum Fodor, dat werd opgeheven kort nadat er tot uitbreiding was besloten, lijkt die angst niet ongegrond.