Man, z.v.w.o.v.

Aan de ingang van de Documenta staat een voorstelling, sculptuur, misschien een installatie - hoe noem je zoiets - van Jonathan Borofsky.

Het stelt een man voor die over een paal in hoek van ongeveer vijfenveertig graden naar de hemel loopt. Jacobus heeft het ook al eens met behulp van een bonestengel gedaan, lang voor de Documenta bestond. Jacobus klom; de man van Borofsky loopt.

Sinds hij in 1951 is begonnen - hij was acht - heeft Borofsky op alle mogelijke manieren van alles en nog wat geschilderd. Menigmaal ben ik zijn bewonderaar; een enkele keer meer dan dat. In dat geval gaat het om zijn Man met koffertje, meestal een silhouet dat we - ware de fenomenologie nog in zwang - in eerste aanleg zouden omschrijven als "Degene van het-ergens-heen-gaan'. Jammer dat de fenomenologie uit zwang is. Nader bekijken leert trouwens dat dit hier een niet gebruikelijk ergens-heen-gaan is, maar meer dan dat: het is een nergens-in-het-bijzonder-heen-gaan. Koffertje, broek, schoenen, jas en hoedje duiden erop dat we het silhouet van een nette zwerver zien.

Deze Man zonder vaste woon- of verblijfplaats speelt in Borofsky's werk een belangrijke rol. De kunstenaar heeft hem in 1979 ontleend aan een reclame voor pakken voor heren die naar kantoor gaan (Men's business suits). In 1981 is hij voor het eerst in het openbaar verschenen, op een tentoonstelling in Keulen; nog hetzelfde jaar als een grote installatie in het Centre Pompidou. In 1982 kwam Boymans-van Beuningen. Daarna is de Man nog in ettelijke beroemde instellingen te zien geweest.

Hoe langer ik naar de Man met het koffertje keek, hoe bekender hij me voorkwam. Ik wist zeker dat ik hem niet in een reclame voor herenmode had gezien.

Zonder plan, vaak met lange tussenpozen maar hardnekkig raadpleegde ik mijn plaatjesvoorraad, en toen opeens, terwijl ik doelloos voor m'n plezier aan het kijken was, kwam ik hem tegen. Hij stond op het perron van een Frans station, ook met een koffertje, en daar kwam juist de trein aan. Hij is getekend door Saul Steinberg, tussen 1948 en 1954; hij maakt deel uit van The Passport, een van die verzamelingen geniale bric-à-brac, hoogtepunten van messcherp kijken en navenant tekenen, röntgenologisch panorama van de menselijke komedie, enz., enz. Steinberg, over twee jaar tachtig, is een van de grootste genieën van deze eeuw; dat valt nu wel te overzien. Zou 1994 niet tot Steinbergjaar moeten worden uitgeroepen - om een jaar weer eens een benaming te geven die deugt?

Na wat vergroten en verkleinen op het kopieerapparaat en enig knipwerk heb ik de Man van Borofsky en de Man van Steinberg op het Franse perron bij elkaar geplakt. Zoals we door een vergelijking tussen fig. a en fig. b kunnen begrijpen, heb ik een paar reizigers uit de tekening van Steinberg verwijderd. De Man van Borofsky op het station van Steinberg is niet te onderscheiden van dezelfde op andere locaties. Borofsky's Man en de Man van Steinberg staan hier eendrachtig op de trein te wachten; of misschien moet ik zeggen: tweedrachtig, of beter nog nuldrachtig, want uit hun houding is duidelijk dat ze niets met elkaar te maken willen hebben. Ze zijn verzadigd in hun tevredenheid dat ze alle twee alleen op weg zijn.

Borofsky's schepping heeft veel interpretaties veroorzaakt. Langzamerhand hebben die zich verdicht tot één exegese. De Man met het koffertje, zo heeft de kritiek nu beslist, is de moderne Elckerlijc. Existentiële ontmoeting met het lot. De moderne kunstkritiek gaat steeds meer lijken op een ouderwetse ochtendwijding van de VPRO. Ik zie er meer het portret in van mannen in het grensgebied tussen het al vertrokken zijn en het definitief de biezen pakken.

Door deze twee op één perron bij elkaar te brengen wil ik niet zeggen dat Borofsky zijn Man eigenlijk van Steinberg heeft gestolen en dat ik hem nu heb betrapt. Het is alleen zo dat wat door de ene kunstenaar tot een magnum opus wordt gemaakt, bij de andere een toevallige figuur tussen duizend andere is gebleven.