Kabinet stemt in met verbod op pensioenbreuk

DEN HAAG, 3 JULI. Verandering van baan zal in de toekomst geen nadelige gevolgen meer hebben voor het pensioen van de werknemer. De ministerraad is gisteren akkoord gegaan met het voorstel de zogenoemde pensioenbreuk onmogelijk te maken.

Het streven is het betreffende wetsvoorstel van staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) op 1 januari 1995 in te laten gaan. De voorgenomen wijzigingen van de Pensioen- en spaarfondsenwet voorzien ook in een verbod om deeltijdwerkers van pensioenregelingen uit te sluiten. Ter Veld had deze voorstellen eerder bij de Tweede Kamer aangekondigd. Ze worden nu voor advies voorgelegd aan de Verzekeringskamer, de Raad voor het ouderenbeleid en de Raad van State.

Het opheffen van de pensioenbreuk geldt alleen voor nieuwe gevallen. Dat is overeenkomstig een advies dat de Sociaal-Economische Raad eind 1990 uitbracht. De wet met terugwerkende kracht van toepassing verklaren zou te hoge kosten met zich meebrengen. Het kabinet stelt zich op het standpunt dat de sociale partners zelf moeten bekijken of oude pensioenbreuken alsnog kunnen worden geheeld.

Wel hebben kabinet en parlement eerder een voorstel van D66 overgenomen om de pensioenen van de "slapers' te verbeteren, mensen die voor hun 65ste jaar met werken zijn gestopt (bijvoorbeeld door ontslag) en geen nieuwe baan hebben gekregen. Voorheen werden hun pensioenrechten bevroren en dus niet aangepast aan de loon- en prijsontwikkelingen, sinds het begin van dit jaar moeten deze uitkeringen wel meegroeien.

Een aantal verzekeringsmaatschappijen heeft reeds een onderlinge afspraak dat de werknemer die daar bij verandering van baan om vraagt, zijn oude pensioenrechten mag meenemen naar de nieuwe werkgever. Dit systeem wordt dus straks wettelijk verplicht.

Een pensioenbreuk ontstaat doordat bij verandering van werkgever de pensioenrechten die de werknemer bij zijn oude bedrijf had opgebouwd, worden bevroren en dus niet meegroeien met de stijging van prijzen en lonen. Welvaartsvast is nu alleen het gedeelte van het pensioen dat de werknemer bij zijn laatste werkgever opbouwt. Werknemers die hun hele loopbaan bij hetzelfde bedrijf in dienst bleven, kregen daardoor een hoger pensioen, zonder dat ze meer premies hadden hoeven te betalen dan degenen die wel een of meer keren van baan was veranderd.