Ik heb een vernietigend geheugen; Cees Nooteboom over Nederland en Spanje

In Engeland, Amerika, Frankrijk, Spanje en alle Duitstalige landen verschijnen juichende recensies van de boeken van Cees Nooteboom. In Nederland is de waardering minder unaniem. “Ik vind het Nederlandse literaire leven met zijn vetes, hiërarchieën en dorpsgekken behoorlijk kinderachtig”, zegt Nooteboom. H.M. van den Brink sprak met hem over zijn liefdesverhouding van bijna veertig jaar met Spaanse hoogvlakte, over zijn hang naar het kloosterleven en over zijn onlangs verschenen boek De omweg naar Santiago. “Ik heb me lelijk in dat boek vergist. Ik wist teveel, ik had teveel bedacht.”

Dit gesprek begon eigenlijk al een jaar geleden, op het eiland in de Middellandse Zee waar Cees Nooteboom sinds vijfentwintig jaar de zomermaanden doorbrengt. Het is er stil en de dag verloopt er volgens vaste patronen. 's Ochtends schrijven, 's middags wandelen en zwemmen, 's avonds eten, alleen of met vrienden, en lezen op het terras. Boven het huis staat 's nachts een zeer uitgebreide sterrenhemel. Krekels razen, achter de lamp wonen twee schuwe hagedissen en er is een kat die Vleermuis heet. In de werkkamer met de witgekalkte muren liggen boeken en aantekeningen in ordelijke stapels te wachten tot de volgende dag aanbreekt.

In 1990 heeft hij hier de novelle geschreven die Het volgende verhaal zou heten. Een moeilijk boek, dat als boekenweekgeschenk met gemengde gevoelens door de kritiek werd ontvangen maar in Duitsland zowel bij pers als publiek voor een doorbraak zorgde. Er zijn in de Bondsrepubliek nu bijna honderdduizend exemplaren van Die folgende Geschichte verkocht en Nooteboom wordt er, in de woorden van oppercriticus Marcel Reich-Ranicki, als "ein grosser Europäischer Schriftsteller' gezien.

Vorige zomer werkte hij in datzelfde kleine huis aan een dik boek over Spanje, dat een veel eenvoudiger karwei had moeten zijn. Sinds 1954 heeft hij ieder jaar een of meer reizen door het land gemaakt en sinds 1957 schrijft hij daarover. Op het bureau en op de divan lagen dan ook kopieën uit de Volkskrant en uit Elsevier, pagina's uit Avenue, brochures, knipsels, notities, betikte vellen. Na drie maanden vormden ze nog steeds geen boek. Het pak papier reisde mee naar Berlijn, waar de schrijver tegenwoordig woont, en ik heb het later teruggezien in Amsterdam en in Madrid, tijdens een tussenstop op een van de reizen die nog nodig bleken om ervaringen aan te vullen. Bij iedere nieuwe lezing bevatte het meer toevoegingen en doorhalingen, er werden steeds meer nieuwe vellen ingestoken en de auteur was bij iedere ontmoeting somberder over het karwei waar hij aan begonnen was. Maar begin vorige maand werden vanuit Japan de laatste wijzigingen doorgezonden en vorige week hield hij De omweg naar Santiago, vierhonderdtwaalf bladzijden in een paarsblauwe kaft, voor het eerst in de hand. Tevredener dan hij in lange tijd over een nieuw boek is geweest. Opgelucht.

“Het moet nu uit de weg, het zit me dwars,” had hij op het eiland gezegd. “Ik heb me lelijk in dat boek vergist,” vindt hij achteraf. “Omdat ik altijd zoveel over Spanje heb geschreven, dacht ik dat ik daar wel even voor het Spanje-jaar 1992 een bundel van kon maken. Maar de confrontatie met al dat materiaal viel tegen. Ik wist teveel, ik had teveel bedacht. Je kunt heel goed drie weken in een land zijn en er dan een artikel over schrijven waarin je intuïtief de kern raakt en de juiste dingen zegt. Maar wie langer blijft, verdwaalt. Die gaat omwegen maken. En dan duurt het jaren voor je weer een paar heldere lijnen ziet. Ik had me wel heel erg diep in Spanje laten zakken. Bijna veertig jaar, dat is niet niks. In het algemeen ben ik al vrij onzeker over de kwaliteit van wat ik aan het doen ben terwijl ik het doe, maar hier nam de onmacht groteske vormen aan. Ik kon het maar niet in de vorm krijgen. Het was teveel en te dichtbij.”

In het eerste hoofdstuk staat dat het Spaanse karakter en het Spaanse landschap corresponderen "met bewuste en onbewuste dingen in mijn wezen, met wie ik ben.' Vervolgens wordt dat karakter als "bruut, anarchistisch, egocentrisch, wreed, chaotisch en irrationeel' omschreven.

“Dat is nogal heftig gezegd. Maar vermoedelijk niet onjuist. Doorgaans ben ik een heel beschaafd en beminnelijk mens, net zoals de Spanjaarden meestal hoffelijk en vriendelijk zijn. Toch zit het anarchisme waaraan ik me in dat land af en toe zo vreselijk kan ergeren, ook in mij. Ik schrijf ergens dat vrouwen en vrienden uit mijn leven zijn verdwenen, terwijl mijn liefdesverhouding met Spanje is gebleven. Dit boek is een portret van de geliefde en dan gaat het onvermijdelijk ook over jezelf.”

De eerste kennismaking wordt er niet in beschreven.

“Daar weet ik gek genoeg niet veel meer van. Ik heb een vernietigend geheugen. Misschien is dat ook wel goed, wanneer je schrijver bent. Het is waarschijnlijk een onbewuste strategie om dingen die je niet nodig hebt uit je herinnering te verwijderen. Je kunt het niet allemaal bewaren, dan word je gek. De liftreis bijvoorbeeld die in mijn allereerste boek beschreven staat, heb ik voor een deel samen met Philip Mechanicus gemaakt. In Philip en de anderen reist de hoofdpersoon uiteraard alleen, want dat verlangt het verhaal. Jaren later heb ik het gepresteerd om aan hem te vragen: "Zeg Philip, waar kennen wij elkaar ook weer van.' Hij heeft daar toen een mooi, vilein stukje over geschreven.

“Toen ik voor het eerst in Spanje kwam, had ik Philip en de anderen al af, maar het was nog niet gepubliceerd. Ik had iets geschreven, maar ik voelde me nog geen schrijver. De foto in het matrozenhemd die jarenlang achterop dat boek heeft gestaan is in Bayonne, aan de grens, gemaakt. Het is vreemd om naar zo'n oude foto te kijken. Je bent het en je bent het niet. Maar in dat hoofd vormden zich wel de eerste gedachten over Spanje. Het land stelde me teleur. Ik vond het veel minder mooi dan Italië. Dat vind ik nu absoluut niet meer. Ik hou nog steeds van Italië, maar de barre uitgestrektheid van Spanje is echt onmisbaar voor me geworden. Seelenverwandschaft, zoiets is het toch, al klinkt dat wel weer vreselijk. Ik ben gefascineerd door steen, door extreme hitte en kou. Daar is later het besef van de geschiedenis bijgekomen. Spanje is zo groot en machtig geweest en daarna weer zo diep gevallen. Italië mist die extremen. Vuurtijd, ijstijd. Aragon is de streek waar ik zowel om het landschap als om de geschiedenis het meest van hou. Met Catalonië heb ik niet veel. Catalaans kan ik lezen, maar ik spreek het niet. Taal en landschap hebben iets met elkaar te maken. Na een paar maanden elders is er altijd weer de fysieke behoefte om Spaans te horen.”

Er is niet één gebeurtenis van die eerste reis bijgebleven?

“Jawel. In Salamanca, vanuit het raam van ons pension aan het grote plein, heb ik toen voor het eerst de paseo gezien, de wandeling aan het einde van de middag. Ik zie het nog voor me en ik hoor nog het geluid dat opklonk uit dat grote, stenen vierkant waarin een cirkel draaide van mensen die vooruit liepen en achteruit, zodat ze elkaar bij het praten konden aankijken. Een menigte, een ketting van mensen. Gemeenschappelijkheid. Dat je zo met elkaar kon omgaan, alsof de hele stad een soort familie was. Dat heeft grote indruk op mij gemaakt. Ik vond dat ontroerend.

“Zelf had ik zo'n gevoel nooit gekend en dat was natuurlijk de reden voor die ontroering. Het is allemaal heel pathetisch. Ik had een chaotische jeugd gehad. Vader overleden, oorlog, scheidingen, kostscholen. Ik was niet iemand die makkelijk met anderen omging. Ik was op die scholen niet populair. Werd er ook steeds afgestuurd omdat ik lastig was en een slechte invloed op anderen zou hebben - wat ik me niet voor kon stellen, want niemand trok zich iets van mij aan. Maar laten we asjeblieft niet gaan psychologiseren. Ik heb dit boek in de eerste plaats geschreven om iets over Spanje te vertellen. Het is niet erg dat het uiteindelijk ook over mezelf blijkt te gaan. Er spreekt nu eenmaal een stem in en dat ben ik. Verder wil ik niet gaan. Ik heb geen behoefte om geheimen over mezelf te onthullen.”

Maar schrijvend over de recente geschiedenis van Spanje kom je een jongere Nooteboom tegen. Je staat op plekken waar hij twintig, dertig jaar geleden heeft gestaan. Je leest wat hij geschreven heeft.

“Natuurlijk, maar dat is verwerkt. Daarom kon dit boek geen verzameling oude artikelen worden. Ik heb een heel ander land gekend, waarin generaal Franco het nog voor het zeggen had en dat in veel opzichten benauwend en achterlijk was. Daar heb ik destijds ook over gepubliceerd. De stukken die ik in de jaren vijftig en zestig voor de Volkskrant maakte, gingen regelmatig over politiek. Voor dit boek waren ze niet meer bruikbaar, omdat Spanje zeer veranderd is en misschien ook omdat ik in de loop van de tijd meer oog heb gekregen voor de andere kant. De goeien in de Burgeroorlog waren natuurlijk helemaal niet zo goed. Op de een of andere manier hoorde je in de jaren vijftig in onze kringen nooit over de wreedheden die de verliezers hadden begaan, over de executies en de priestermoorden.

“Nu wordt er helemaal niet meer over die oorlog gepraat, in ieder geval niet in Spanje, en dat lijkt me ook niet gezond. De Spanjaarden willen nu Europees en kosmopolitisch zijn en met hun verleden niets meer te maken hebben. Maar het komt onherroepelijk een keer terug. Want landen moeten ook op de divan, net als mensen. Op een dag zegt iemand: "Wij zijn toch altijd anders geweest? Waarom zouden we dat weggooien?' In Japan gebeurt iets dergelijks. Eerst heeft men alleen maar de blik op de toekomst gevestigd en zich helemaal op het westen gericht, nu is er meer aandacht voor de combinatie van het eigene en het vreemde. Dat zou ook voor Spanje heel inspirerend kunnen zijn. Want de vitaliteit, die is er wel.”

Moet een buitenlander dat vertellen?

“Ik ben iemand die het verleden zoekt, om het heden te begrijpen. Soms kan je dat als buitenlander beter. Ik loop in Amsterdam niet steeds te denken aan de zeventiende eeuw, maar een Spanjaard zou misschien bepaalde constanten zien. Het verleden bestaat niet alleen uit historische feiten, maar is ook een verzameling mythes. In Berliner Notizen heb ik geprobeerd er een paar aan te wijzen die nog steeds van belang zijn voor de Duitsers en als ik voorlees uit dat boek merk ik dat dat is gelukt. Het wordt herkend. Of de Spanjaarden even gelukkig zullen zijn met wat ik over hun land heb geschreven, vraag ik me af. Ik weet niet of ze iets over de invloed van de Islam willen horen en of ze geïnteresseerd zijn in mijn speculaties over wat er met Europa gebeurd zou zijn als die paar rare koninkrijkjes in Navarra en Asturië niet tot de Reconquista hadden besloten. Misschien had de islam dan wel de invloed van de Verlichting ondergaan, misschien hadden de Arabieren de nieuwe wereld ontdekt. Voorlopig is Spanje nog helemaal vervuld van de gedachte aan verandering en modernisering. Op zichzelf ben ik daar trouwens niet tegen. Het is hun recht, het is onvermijdelijk, al tast het bepaalde plekken die mij lief zijn onherstelbaar aan. Maar ik zou dat niet willen bestrijden. Je kunt geen dingen bewaren uit nostalgie. Je moet ze vernietigen om ernaar terug te verlangen.”

Tegelijkertijd is de belangstelling voor het blijvende, het onveranderlijke een rode draad door het boek. Het is wat je aantrekt in het kloosterleven.

“Er zijn weinig vormen die zo lang hetzelfde zijn gebleven als de duizendjarige riten van de kerk. Ik ben geen gelovige en ik weet precies wat het instituut allemaal op zijn geweten heeft, maar ook in Spanje heeft het zijn macht verloren en daarom hoeft dat aspect nu niet meer op de voorgrond te staan. Ik vind het een voorrecht om een klooster binnen te kunnen stappen en daarmee een andere tijd. Het is goed dat het bestaat.”

Ooit wilde je zelf monnik worden.

“Ik geloof niet dat je aan die episode teveel betekenis moet hechten. Ik was zeventien of achttien jaar en al op kostschool door monniken opgevoed. Dat had ik als prettiger ervaren dan zij. Het was een vorm van orde na dat chaotische begin van mijn jeugd. Wat mij aantrok in het kloosterleven was het absolute en het theatrale. Midden in de nacht opstaan en twee uur mediteren. Psalmen zingen. De combinatie van een leven lang werken in de bibliotheek of op het land. De vorm, de heelheid ervan. Godsdienstige gevoelens speelden bij mij niet echt een rol en ik heb ook nooit de moed gehad om het een paar jaar te proberen. Het was niks voor mij. Ik ben een geboren zwerver. De abt van de Achelse Kluis, waar ik mijn wens kenbaar had gemaakt, heeft mij onmiddellijk doorzien. Ik heb het er maar een paar dagen volgehouden.”

Is een monnikenbestaan dan geen voorwaarde voor het verwerven van echte kennis en voor het schrijven van bijzondere boeken?

“Ja en nee. Iedereen die veel reist denkt natuurlijk wel eens aan de mogelijkheid om daar helemaal mee op te houden. Deze winter was ik in het klooster van Leyre, in Navarra, en betrapte ik mezelf weer op de gedachte: zou ik niet aan het eind van mijn leven, als ik eindelijk klaar ben met dat gereis, kunnen vragen of ik hier binnen mag, hoewel ik ongelovig ben... Maar het is een onserieuze gedachte, waarvan ik weet dat hij van tijd tot tijd opkomt en ook weer overgaat.

“Aan de andere kant: als je iets tot stand wilt brengen moeten er natuurlijk vormen van regelmaat en plicht zijn. Iets kloosterachtigs. Stabilitas loci, het blijven op één plek. Ik trek mij dan ook wel degelijk terug: 's winters in Berlijn, ver weg van de dodelijke Nederlandse gezelligheid, en vooral in de zomer op het eiland. Ik heb er geen telefoon, je kunt er geen verre tochten maken. In het begin is dat iedere keer weer moeilijk, dan moet ik afremmen op de motor. Je komt uit de hectiek en dan valt die stilte op je hoofd. In alle vroegte de vogels die je wakker maken. Maar het zijn de vogels buiten niet die je bezighouden, het zijn de vogels in je hoofd. Langzaam ontstaat het vacuüm dat je nodig hebt om fictie te schrijven, het ritme van je leven raakt geritualiseerd, je begint in het universum van het boek te leven en alles wat je doet en denkt krijgt er mee te maken. Het is een soort betrekkingswaan. Met een schok ontdek je op een dag dat de zomer is afgelopen. De laatste jaren blijf ik steeds iets langer, dit jaar gaan we tot in oktober. Dan begint het koud te worden. En de rest van de wereld trekt.”

Is dat niet te snel?

“Ik heb nu eenmaal de ambitie om veel van de wereld te zien en daar ook over te schrijven. Ik wil me niet tot fictie beperken. Ook als het om genres gaat ben ik een zwerver. Ik heb bijvoorbeeld altijd graag in krant geschreven. Het geeft je de mogelijkheid om meteen ergens op te reageren, ook als een gedachte nog niet helemaal voldragen is, en het verschaft een snelle bevrediging, die ik prettig vind. De consequentie van die manier van leven en werken is, dat je nooit een roman van achthonderd pagina's zult schrijven. Daar ben ik me van bewust. Als ik daar ooit rouwig om ben geweest, dan is dat gevoel nu bijna helemaal verdwenen. Het is mijn lengte niet. Ik kan in boeken zoals Een lied van schijn en wezen en Het volgende verhaal, die niet veel meer dan honderd bladzijden dik zijn, iets vertellen dat zich op een andere manier niet vertellen laat. Ze kunnen wel een paar duizend woorden langer worden, maar niet meer. Dan is het weg. En ach, misschien zijn tien van die rare boeken van mij wel evenveel waard als dat ene dikke boek.”

En de eruditie?

“Ik heb een heilig respect voor kennis. Ik lees veel maar onsystematisch en ik maak gebruik van wat ik lees, zonder dat ik de pretentie heb dat ik een geleerde ben. In Nederland raakt men nogal geïrriteerd als iemand zomaar iets durft te zeggen over een onderwerp waar anderen jaren in hebben gestudeerd. In Duitsland, Frankrijk of Spanje mag je best de namen van Hegel of Kant noemen in een krantestuk. Hier staat dan meteen een doctorandus op om te vragen of je wel op het onderwerp bent gepromoveerd. Moet dat dan? Mag je niet gewoon een boek gelezen hebben en daar iets over willen zeggen? Versnipperde eruditie hoort bij creativiteit.

“Natuurlijk had ik veel geleerder kunnen zijn als ik niet zoveel tijd verkwist had met gesprekken in cafés en rondhangen in vreemde streken. Ik heb me daar ook wel schuldig over gevoeld. Veel later merk je pas dat het toch ergens goed voor is geweest. Toen Philip en de anderen verschenen was, zeiden de mensen dat ik schrijver was. Maar eigenlijk had ik geen idee waarover ik het verder nog zou moeten hebben. Toen ben ik gaan reizen. Naar Spanje, naar Zuid-Amerika. Dat leverde stof voor een aantal korte verhalen op, maar kon de crisis niet afwenden. Ik ben enorm geschrokken toen ik begon te beseffen wat het schrijverschap voor consequenties met zich meebrengt. Daarnaast was er een persoonlijke crisis, die ooit in de Sahara begonnen is. Een verschrikkelijk door-alles-heen-branden. Het heeft me jaren gekost om van te herstellen. Ik dacht dat ik daar door het schrijven van de roman De ridder is gestorven een einde aan had gemaakt. Maar met dat vreemde, griezelige boek, dat eindigt met een zelfmoord, bleek ik ook het schrijven van fictie voorlopig vermoord te hebben. Dat moest ook. Je moet weten wanneer je je mond moet houden. Het heeft zestien jaar geduurd voor ik aan Rituelen kon beginnen. Zestien jaar waarin ik reisverhalen heb geschreven, heb vertaald, van alles en nog wat heb gedaan buiten de literatuur. Ik denk dat ik daar mijn lichte toon aan te danken heb, ook als ik over zware onderwerpen schrijf, en een soort ervaring die je mist als je je leven lang in Nederland bent gebleven en daar alleen de school kent en de universiteit. Geen wonder dat je dan als schrijver niet veel meer onderwerpen hebt dan je eigen stad en je eigen jeugd. Ik vind het opvallend, dat van de schrijvers van mijn generatie bijna niemand heeft gestudeerd. Mulisch, Claus, Campert, Reve - ze hebben het allemaal ergens anders vandaan moeten halen.”

In het afgelopen jaar ben je door de Franse regering benoemd tot ridder in het Legioen van Eer, heb je de Literatuurprijs van de Derde Oktober gekregen en ben je gekozen in de Akademie der Künste. In Engeland, Amerika, Frankrijk, Spanje en alle Duitstalige landen verschijnen juichende recensies. Is het vervelend dat de waardering in Nederland minder unaniem is?

“Ik trek het me niet meer zo aan. Eigenlijk praat ik er ook liever niet meer over. Ik loop niet wenend rond. Maar natuurlijk is het vreemd, het leidt af. Er zit iets verkeerd wanneer de mensen om je heen, je eigen taalfamilie, niet zien waar je mee bezig bent terwijl het ergens anders uitstekend wordt begrepen. In zekere zin schrijf je toch meer voor de lezers in Groningen of Gent dan voor Berlijn, Parijs of Londen. Je zou graag een reactie willen vanuit de laag die je boeken voortbrengt. Maar in plaats daarvan is er een duidelijke weerstand. Ik besta, mijn boeken zijn er en ze worden gelezen, en toch hoor ik er niet echt bij. Buitenlanders vertellen me dat ze in Nederland worden uitgelachen als ze met waardering over mijn boeken spreken. Een Spaanse recensie begon onlangs met de woorden "Een collega uit Nederland vraagt mij: waarom wordt die Nooteboom toch almaar vertaald? Die is bij ons volledig onbekend.' Ik weet wel dat het onzin is, maar het stáát er toch maar. Ik kan me niet voorstellen dat mijn persoon zoveel agressie opwekt. Ik heb nooit aan de zelf-enscenering gedaan die voor sommige Nederlandse auteurs zo goed heeft gewerkt en ik stort me ook nooit in aanvallen en polemieken. Niet uit lafheid, maar omdat het me verveelt. Ik vind het Nederlandse literaire leven met zijn vetes, hiërarchieën en dorpsgekken behoorlijk kinderachtig. Misschien ook dat mijn zwerven door landen en genres irritaties opwekt. Of mijn neiging om me bezig te houden met abstracte thema's als de verhouding tussen fictie en werkelijkheid of de tijd en de klassieken. Ik ken heel goed de verleiding van het realisme, want daarmee kom je dichter bij de lezers te staan. De mensen willen nu eenmaal het liefst iets weten over hun eigen leven. Maar ik zie er toch maar van af en hou me bij mijn eigen manier van werken. Wie weet, is over vijf jaar het nieuwtje er in Duitsland ook af en krijg ik daar dezelfde reacties. Intussen betrap ik me er nu op dat ik voor het eerst bijna nieuwsgieriger ben naar de Duitse kritieken op De omweg naar Santiago dan naar de recensies in Nederland.”

De laatste zin van het boek luidt: "Zijn Spaanse reis is voorbij'.

“Het lukte me niet die woorden in de eerste persoon enkelvoud op te schrijven. Er moest even een flinke afstand geschapen worden. Want natuurlijk is mijn verhouding met Spanje niet voorbij. Die verhouding is wel onbezorgder geworden, ik hoef er niet almaar verantwoording over af te leggen. Het afmaken van dit boek was dansen met de beer, maar zeer noodzakelijk. Volgend jaar word ik zestig. Mijn leven nadert, zoals ze in het Spaans zouden zeggen, la recta final. Het is het laatste rechte stuk, de etappe waarin het om het zeerst gaat, zoals ze in de sportwereld zeggen en om die te kunnen overzien moesten er een paar obstakels worden opgeruimd. Dit boek was iets dat ik veertig jaar met mij meezeulde en steeds zwaarder was geworden. Ik was natuurlijk al heel vaak in Santiago de Compostela geweest, maar door over de aankomst te schrijven in het laatste hoofdstuk heb ik mijn tocht pas echt volbracht. Vreemd genoeg valt het samen met een moment waarop ik voor het eerst in meer dan veertig jaar het gevoel heb dat ik vakantie heb. Net of er een onafgebroken golfbeweging is geweest die nu ten einde is. Dit is uit de weg en ik hoef op dit moment ook even niets anders te doen. Geen opdrachten, geen verplichtingen. Ik heb een raar gevoel van vrijheid.”

Es ist erreicht?

“Absoluut niet. Het schept ook verantwoordelijkheid. Nu moet er weer een roman komen. Ik denk: als je nu wat doet, moet het heel goed zijn. En, zoals altijd: kan ik het nog wel? Ik ben mijn koffers aan het pakken. Over een paar dagen ga ik naar het eiland.”