Grootmeesters op het Orgelfestival Haarlem

Int. Orgelfestival Haarlem: 4-28 juli. Programma o.a. bij VVV en Bavo: ƒ 7.50. Inl.: 023-160574 of 160575.

HAARLEM, 3 JULI. Het Internationaal Orgelfestival dat zaterdag in Haarlem begint, trekt dit jaar een recordaantal deelnemers: 118 professionele organisten uit 24 landen. Zij komen af op de Grote of Sint-Bavokerk, die midden in de stad hoog boven de omgeving uitrijst. Als men Haarlem nadert ziet men al van verre de contouren van de kerk waarin Christian Müller en zijn gezellen in 1738 een monumentaal orgel bouwden dat al snel wereldfaam verwierf.

Waar andere instrumenten overgingen in handen van kerkelijke bestuurders, bleef het Müller-orgel tot op de dag van vandaag bezit van de stad Haarlem. Het orgel heeft, na de jonge Mozart in 1766, nog veel meer memorabele bespelers gekend. Neem de periode die in de vijftiger jaren begon en nog maar net is afgesloten, toen Piet Kee, Albert de Klerk en Klaas Bolt met z'n drieën stadsorganist waren. Deze organisten vormden in hun verscheidenheid drie toppen in onze nationale orgelkunst. Klaas Bolt, de man van de degelijke koraalkunst, is overleden. De beide andere gepensioneerde grootmeesters zijn tijdens deze Haarlemse Orgelmaand te horen.

Piet Kee speelt niet zo vaak meer onder de gewelven van de Bavo die zijn gevoel voor timing hebben gevormd. Nu geeft hij op 14 juli een regulier, dat wil zeggen gratis stadsconcert. Zijn recitals zijn hoogtepunten van concentratie. Hij zoekt het niet in de bizarre buiteling, maar in de subtiele plaatsing van duizenden details.

Albert de Klerk vertegenwoordigde het roomskatholieke aandeel in het oude driemanschap in een tijd dat bij benoemingen goed moest worden gekeken naar kerkelijke achtergronden (Bolt en Kee waren protestant). De Klerk is sinds jaar en dag organist van de Haarlemse Sint-Josephskerk en als zodanig de opvolger van Hendrik Andriessen. Samen met de sopraan Elly Ameling herdenkt hij op 24 juli zijn voorganger, die dit jaar een eeuw geleden werd geboren. Op het programma staat onder meer Miroir de Peine, de liederencyclus uit 1923 op teksten van Henri Ghéon.

Toen De Klerk in 1983 met pensioen ging werd zijn functie opgeheven wegens bezuiniging. Kee en Bolt werden wel opgevolgd, door respectievelijk Jos van der Kooy (1990) en Anton Pauw (1991). Van der Kooy opent het festival dit jaar met Dieu parmi nous, een vroeg werk van de onlangs overleden Olivier Messiaen. Het Müller-orgel in de Bavo is qua klankopbouw allesbehalve toegerust voor Franse romantische orgelkunst, maar het overdonderende effect van de muziek zal dankzij de grootsheid van het instrument en de hooggewelfde akoestiek van de kerk nauwelijks verloren gaan.

Tijdens het openingsconcert wordt de stadsorganist bijgestaan door het Nederlands Kamerkoor, dat met Reinbert de Leeuw Liszts ascetische Via Crucis uitvoert. Het koor zingt verder een motet en Cinq Rechants van Messiaen. Van der Kooys aandeel wordt gecompleteerd met Liszts Preludium en fuga op het pregnante motief B.A.C.H. Op zijn andere orgel speelt hij 20 juli Regers Fantasie en fuga op hetzelfde gegeven. Van der Kooy is namelijk ook cantororganist van de Amsterdamse Westerkerk, waar het Duyschot-orgel zojuist is gerestaureerd. Amsterdam en Alkmaar worden al jaren bij het Haarlemse festival betrokken.

Het zwaartepunt van de Orgelmaand blijft de improvisatiewedstrijd (7-9 juli). Sinds 1988 kent het concours twee openbare voorrondes. Het rugwerk van het Bavo-orgel moet de anonimiteit der executanten waarborgen. De negen deelnemers zijn via geluidsbandjes geselecteerd. Alle Nederlandse kandidaten (Cor Ardesch, Berry van Berkum, Klaas Stok en John Terwal) hebben één ding gemeen: ze ontvingen improvisatieles van de Zutphense organist Bert Matter.

De improvisatie-thema's van de voorrondes zijn gecomponeerd door de Franse organist Xavier Darasse en zijn Oostenrijkse collega Hans Haselböck, beiden met een roemrijk Haarlems verleden. De thema's voor de finale zijn van componist Wim de Ruiter. Niemand mag nog weten hoe de thema's eruit zien. Het is trouwens niet eenvoudig adequaat materiaal te ontwerpen. Een thema moet in zichzelf niet teveel aandacht vragen, maar toch een kern bevatten, die om ontwikkeling vraagt. Het is voorgekomen, dat themata zo gecompliceerd waren, dat geen der deelnemers ze correct wist te poneren - en dan moest het stoeien nog beginnen.

Het traditionele juryconcert, dit jaar op 10 juli, is vaak een hoogtepunt van het Orgelfestival. Er wordt nog steeds gesproken over hoe Jean Langlais in 1978 zijn eigen Te Deum speelde; ook de herinnering aan onvergetelijke éénhandige improvisatie (1986, met slagwerk) van Xavier Darasse wordt steeds weer opgehaald. Gouden momenten beleefde men toen in 1961 Jeanne Demessieux en Anton Heiller samen met Albert de Klerk in de jury zaten. Terugluisterend naar opnamen van het toenmalige juryconcert ontdekt men dat Heillers toentertijd fris en geïnspireerd overkomende speelwijze inmiddels gemaniëreerd en (vooral) gedateerd aandoet. Demessieux klinkt daarentegen nog steeds als de vulkaan die ze was: met haar eigenzinnige interpretatie van Mozarts fantasie KV 608 dwingt ze nog steeds tot luisteren.

Bij het juryconcert improviseren de juryleden niet zoals vroeger op elkaars thema's, maar op ontwerpen van vier Haarlemse organisten: De Klerk, Van der Kooy, Kee en de organist van de andere (roomskatholieke) Bavo in Haarlem: Bernard Bartelink. Dejuryleden zijn Rupert Gottfried Frieberger (Oostenrijk), Naji Hakim (Frankrijk), Oleg Janchenko (GOS) en Jan Jongepier (Nederland). Ze improviseren niet alleen, ze interpreteren ook ieder een groot koraal van Johann Sebastian Bach.