Graanschuur Oekraïne raakt angstig leeg

Zonder herstel van de boerenstand wordt de voormalige Sovjet-Unie geen nieuwe samenleving. Privatisering van de landbouw is dus het parool. Maar de politici talmen. Zelfs in de Oekraïne, ooit de graanschuur van het Russische rijk, is van de hervormingen tot nu toe weinig terecht gekomen.

“Waarom? Waartoe?”. Landarbeider Vasili Petrovitsj leunt in alle rust tegen zijn hark. Het idee dat hij voor zichzelf zou kunnen beginnen, kan hem allerminst bekoren. Het leven op de Sjevtsjenko-kolchoze bevalt hem wel. Naar privatisering van de grond taalt hij dan ook niet. “Waarom? Waartoe? Het leven hier is goed. En bovendien, zelf heb ik toch geen geld om een tractor of zoiets te kopen.”

Het lijkt een onbegrijpelijk antwoord. Het leven op de Sjevtsjenko-kolchoze is namelijk helemaal niet goed. Net als bijna alle andere collectieve boerderijen, al dan niet vernoemd naar Lenin, Kirov, de Komsomol dan wel een of ander communistisch partijcongres, balanceert ook de Sjevtsjenko-kolchoze in het dorpje Petrikovka op de rand van het faillissement. De recente naamsverandering als eerbetoon aan de negentiende eeuwse vader van de Oekraïense taal (tot voor kort heette de kolchoze Het testament van Ilitsj) heeft daaraan niets kunnen veranderen.

De boerderij heeft de laatste decennia natuurlijk nooit echt serieus gerendeerd. Staatssubsidies hielden haar op de been. Maar nu de rest van de economie zich in razend tempo richting markt "commercialiseert', is de deplorabele toestand van de kolchoze onvermijdelijk aan het licht gekomen. De perspectieven voor de Sjevtsjenko-boerderij, die zich conform de oude plan-economie als veehouderij heeft gespecialiseerd, zijn dan ook dramatisch. De 243 koeien op een areaal van bijna duizend hectare geven nu nog gemiddeld elk twaalf liter melk per dag. Dat is veel. Normaal komt er in de voormalige Sovjet-Unie niet meer dan acht liter uit een koe. Maar die tijd zal waarschijnlijk snel voorbij zijn. Want geld voor investeringen is er niet. Van de halve roebel per liter die de Oekraïense staat betaalt voor de melk die de Sjevtsjenko-kolchoze aan de overheid moet afdragen bij wijze van fiscale heffing - tachtig procent van haar produktie - valt geen kopeke voor nieuwe technologie opzij te leggen. Integendeel, het moment is nabij dat de kolchoze haar enige melk-installatie wegens ouderdom naar de schroothoop zal moeten brengen en op de hand moet overgaan. Weliswaar probeert de kolchoze de melkafdracht via boekhoudkundige trucs te ontduiken - in de eerste maanden van dit jaar hebben de boeren in de gehele Oekraïne officeel maar liefst 34 procent minder voedsel geproduceerd, een cijfer waarvan niemand weet in welke mate het de realiteit weerspiegelt - maar op de lange duur beklijft deze methode natuurlijk niet.

Op de Dzerzjinskij-kolchoze bij Goebinicha, ruim vijftig kilometer noordoostelijker, is de toestand niet minder treurig. Liefst 450 hectare heeft de boerderij onder haar beheer, louter voor suikerbieten. Jaarlijks produceert de kolchoze ongeveer tienduizend ton. De staat betaalt Dzerzjinski 750 roebel per ton. Totale omzet derhalve: 7,5 miljoen roebel. Een tractor kost tegenwoordig echter al anderhalf miljoen, een gewone combine twee miljoen en de speciale machine die ze op deze kolchoze nodig hebben maar liefst drie miljoen. Om over de benzine nog maar te zwijgen. Als die in de Oekraïne al beschikbaar is, dan kost een liter gauw zeventien roebel.

“Een tractor kunnen we ons nu al niet meer permitteren. Het kopen van de grond dus ook niet”, zegt kolchoze-voorzitter Joeri Nikolajevitsj, terwijl hij vanaf de weg beziet hoe zijn mensen de suikerbietenvelden met hun blote handen bewerken. De produktiviteit in zijn bedrijf was altijd al twee keer zo laag als op vergelijkbare suikerbietenboerderijen in Duitsland. Om maar te zwijgen van de verhoudingen in geavanceerdere bedrijfstakken als graan en tarwe, die in de Oekraïne drie tot vier keer zo weinig oplevereren als in West-Europa of zelfs Polen. De kloof zal komende tijd alleen maar groter worden. “Bij jullie is de staat als een moeder voor zijn boeren, hè. Nou bij ons niet meer”, stelt de kolchozebaas onaangedaan vast.

Pag.12: Nijverheid op kleine veldjes, de grote akkers liggen braak

Even verderop, in de buurt van Novomoskovsk, zien we niettemin ineens allemaal jonge vrouwen op het land werken. Aha, de jeugd ontdekt de landbouw, denk ik. Dat zou een belangrijk signaal zijn in een land waar de afgelopen dertig jaar de plattelandsbevolking, in het kader van Brezjnevs urbanisatiepolitiek, in revolutionair tempo is afgenomen van vijftig procent tot nog geen kwart. Onder de jeugd heeft de trek richting stad nog radicalere vormen aangenomen, zeker nu jongeren de laatste jaren hun heil zijn gaan zoeken in snellere vormen van kapitaal-accumulatie: de handel. De waanzinnige investeringen in landbouw en veeteelt van de afgelopen tien jaar (een derde van het overheidsbudget) gingen niet gepaard met een navenante verhoging van produktiviteit en inkomens.

Het blijkt echter een misverstand dat de trend in de Oekraïne ineens zou zijn doorbroken. Daar op het land bij Novomoskovsk werken geen jonge boerinnen, maar ingenieurs uit een tractorfabriek uit Dnepropetrovsk. Het bedrijf is zo goed als bankroet omdat de kolchozen de spullen niet meer kunnen kopen en er nog geen vrije boeren zijn die dat wel kunnen. Van de achtduizend werknemers die er ooit in dienst waren, zijn er het afgelopen jaar 5200 overgebleven. De boeren die de onderneming voor haar eigen voedselproduktie op haar eigen grond in dienst had, zijn er als eerste uitgevlogen. Met als gevolg dat jonge ingenieurs, net afgestudeerd, nu voor het eerst van hun leven op het veld werken.

Met andere woorden: zelfs de boerderijen die bezit waren van de industriële bedrijven vertoeven tegenwoordig op de rand van het bestaan. En daarmee valt een essentiële schakel in de oude Sovjet-economie weg. Via deze pseudo-kolchozen hebben de stedelijke ondernemingen hun personeel namelijk altijd van eten en drinken kunnen voorzien. Ongeveer twintig procent van de agrarische produktie kwam tot nu toe op deze manier tot stand. Het heeft jarenlang de sociale vrede min of meer gewaarborgd.

Dat kolchozeboer Vasili Petrovitsj en al die andere collega's op de Sjevtsjenko- en Dzerzjinski-kolchozen toch tevreden zijn, ligt aan de 0,5 tot twee hectare die hun eigen huizen scheiden van de grote wereld. Daar kunnen ze doen wat ze willen. Sterker, naarmate het op kolchoze slechter gaat, heeft een boer als Vasili Petrovitsj meer tijd over voor zijn eigen erf. Formeel moet hij, net als de duizenden andere landarbeiders die de drie boerderijen van de Sjevtsjenko-kolchoze in dienst heeft, dagelijks van acht uur 's ochtends tot vijf uur in de middag op de collectieve grond werken, maar dat komt er wegens gebrek aan bezigheden zelden van.

De opbrengst van de eigen moestuin (tomaten, uien, kippen) compenseert zijn officiële salaris van driehonderd roebel in zijn ogen voldoende. Wie de akkertjes van Vasili Petrovitsj en andere kolchoze-arbeiders ziet, vindt zijn negatieve houding jegens privatisering van de grond ineens wel begrijpelijk. Ze zien er allemaal stuk voor stuk keurig uit. Weer of geen weer, er wordt gewerkt. Terwijl een regenbuitje op de kolchoze al aanleiding is om even een dagje niets te doen.

Het is dit psychologische gegeven dat de voorstanders van liberalisering der landbouw nog steeds zo optimistisch stemt. “Als de boeren verlost worden uit de gevangenis, uit hun slavernij, dan zal het gebeuren”, zegt Volodimir Plesjko bij voorbeeld. Hij is één van die mannen die het willen gaan maken. Sinds kort heeft hij in Petrikovka 25 hectare land versierd. Plesjko is daarmee één van de achttien privé-boeren die dit rayon thans rijk is. Dat is naar Oekraïense begrippen veel. In de hele republiek is tot nu toe slechts vijf procent van het land geprivatiseerd, omdat regering en parlement wel hebben bepaald dat de kavels niet groter mogen worden dan honderd hectare, maar nog steeds niet hebben vastgesteld hoeveel een vierkante meter moet kosten. In het district-Dnepropetrovsk heeft het bestuur besloten daarop nu maar vooruit te lopen en maximaal vijftig hectare in erfpacht uit te geven. Ongeveer twaalfhonderd boeren zijn er sinds dit voorjaar voor zichzelf begonnen.

Volodimir Plesjko is een fraai voorbeeld van zo'n "nieuwe boer'. Hij is namelijk helemaal geen boer, maar een militair en een romanticus die zich afstammeling van de Kozakken voelt. Als kolonel heeft hij overal gediend (tot aan Ethiopië en Somalië toe) maar zijn schoenen hebben zelden op akkers gestaan.

Dat Plesjko één van de gelukkigen is in de privatisatie-carrousel heeft dan ook vooral te maken met zijn politieke kwaliteiten. Toen de onafhankelijkheid van de Oekraïne zich anderhalf jaar geleden begon aan te dienen, is hij onmiddellijk naar Kiev vertrokken om er zijn "Agro-industriële concern Oekraine' op te zetten en leiding te geven aan de republikeinse Boerenpartij. Op zoek naar een mooi stekkie kwam hij recentelijk in Petrikovka aan. Samen met de plaatselijke aanhanger van de nationalistische beweging Roech wist hij er in korte tijd zo ongeveer de macht te grijpen, simpel door tegen de plaatselijke voorzitter van het Uitvoerend Comité te zeggen dat die voortaan met hem diende te overleggen. Via die connecties heeft hij nu het lapje grond bij Petrikovka in handen weten te krijgen. Plus de renteloze leningen die de staat voor investeringen zegt te willen verschaffen, hetgeen op zichzelf al krankzinnig is in een land waar de rente voor kortlopend krediet de honderd procent zo nu en dan overstijgt. Binnen een jaar moeten alle plannen van Volodimir Plesjko rond zijn: 25 melkkoeien, groente, druiven en ook nog eens een toeristische route voor liefhebbers van de Kozakse cultuur.

Op de keper beschouwd is dat precies hetzelfde als de grootstedelingen op hun datsja's of volkstuintjes willen. Elk weekeinde is het in de interlocale bussen en treinen daarom een drukte van belang. Intellectuelen, arbeiders, bejaarden en invaliden zitten elkaar dan in het openbaar vervoer vooral in de weg met de in hun rugzakken opgeborgen schoffels, scharen en scheppen. De "datsjisten' hebben op deze manier ook de Oekraïne een nieuw aanzien gegeven: terwijl de grote velden er half-verlaten of braak bij liggen, is het op de kleine veldjes langs de steden een en al handnijverheid wat de klok slaat. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat de antroposofen van Rudolf Steiner er massaal in opmars zijn. Hele families leven tegenwoordig van de opbrengst van hun weekeind-arbeid. De bijdrage van deze amateur-boertjes aan het industriële produktieproces neemt omgekeerd evenredig af.

Het lijkt allemaal heel pluriform. Het gevolg is echter dat er in de voormalige Sovjet-Unie thans vijf vormen van landbouw bestaan die weinig tot niets met elkaar uitstaande hebben: de collectieve of staatsboerderijen, de landbouwbedrijven die bezit zijn van de grote industriële ondernemingen, de nieuwe vrije boeren met hun lapjes grond van vijftig tot honderd hectare, de moestuintjes van de landarbeiders en de datsja's van de hobbyïsten uit de stad.

Drie van de vijf hebben op de korte termijn nauwelijks iets te bieden. De laatste twee vormen van landbouw en veeteelt floreren wel. Maar daarmee is een zo snel geürbaniseerd volk natuurlijk niet te voeden. Integendeel, deze structurele invaliditeit houdt hooguit de prijzen op de markt hoog. Hoe lang dat, sociaal gezien, nog goed zal gaan, zou komend jaar wel eens op onaangename wijze duidelijk kunnen worden.