Eenhoornhoorn of narwaltand; Zeventiende-eeuwse rariteitenkabinetten in Amsterdam

Met de verzamelwoede van de "curieuse doctor' Bernardus Paludanus begon de bloeiperiode van het Hollandse Konstkabinet. Vermogende Amsterdamse burgers stelden rariteitencollecties samen waarin walvispenissen en resten drakebloed naast elkaar lagen. Op een tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum blijkt dat het verschil tussen kunstvoorwerpen, naturalia en fantasieobjecten er voor de zeventiende-eeuwer niet toe deed. Wat zeldzaam en vreemd was, was waard om verzameld te worden.

De wereld binnen handbereik. Nederlandse kunst- en rariteitenverzamelingen, 1585-1735. Amsterdams Historisch Museum. T/m 11 okt. Dag 11-17u. Catalogus: Ellinoor Bergvelt en Renée Kistemaker (red.), 215 blz. Prijs: ƒ 29,50. Essaybundel: Ellinoor Bergvelt en Renée Kistemaker (red.), Uitg. Waanders, 368 blz. Prijs: ƒ 49,50 (paperb.), ƒ 75,00 (geb.); catalogus en essaybundel samen: ƒ 75,00 (paperb.).

In 1678 overleed de Amsterdamse apotheker Jan Jacobsz. Swammerdam, vader van de beroemde entomoloog en natuuronderzoeker Jan Swammerdam. In zijn huis "De Star' aan de Oude Schans (no. 18 tegenover de Montelbaansbrug), liet hij een vermaard "Konstkabinet' na, een uitgebreide rariteitenverzameling waarin behalve uitheems porselein, vreemde penningen en allerlei snuisterijen ook "eene volkomene opgaderinge van Dieren, Dierkens, Aardgewassen en Bergwerken' waren aan te treffen. Onder de door reizigers en zeelieden uit Oost- en West-Indië aangevoerde schatten bevonden zich onder meer "de handt van een Meremin, en een Eenhoorn, lang ses voet en drie duim', en de "gestremde melck van de Maeght Maria'.

Het kabinet van Swammerdam was vermaard maar allerminst enig in zijn soort. In de jonge Republiek der Nederlanden en in het bijzonder in Amsterdam bevonden zich tientallen van dergelijke rariteitenverzamelingen, opgebouwd door vermogende burgers. Het handelsverkeer met grote delen van de wereld (vooral met de Oost), bracht de Hollandse kooplui in contact met vreemde volkeren en, belangrijker nog, een geheel onbekende flora en fauna. Aanvankelijk drong het bestaan van deze onbekende wereld alleen door via beschrijvingen in scheepsjournaals en reisverslagen. Maar het duurde niet lang of de handelsvaarders brachten de exotische voortbrengselen ook in hun schepen mee naar huis, zowel naturalia (schelpen, mineralen, fossielen, planten, dieren, etc.) als arteficialia (etnografica, kunst, archeologische vondsten).

Een deel van deze voorwerpen werd in het Hollandse binnenhuis gebruikt voor decoratieve doeleinden. Ze vertegenwoordigden een aanzienlijke marktwaarde en er ontstond dan ook een levendige handel in, compleet met Oost-Indische winkels en huis-aan-huis verkopers.

Maar de "rariteiten' (ook wel "vreemdigheden' of "sonderlingheden' geheten) waren ook het object van een meer serieuze belangstelling. De vele wonderlijke dier- en plantesoorten lieten een glimp zien van een wereld, te rijk om te bevatten. Burgers die in die wereld geïnteresseerd raakten, trachtten deze grijpbaar te maken door de voorwerpen zelf te gaan verzamelen.

Burgerlijk

Vanuit ons twintigste-eeuwse perspectief vormden de verzamelingen een merkwaardig allegaartje. Er is er geen een intact gebleven, maar uit veilingcatalogi en correspondentie komt een vrij gedetailleerd beeld naar voren waaruit ze zoal hebben bestaan. Bindend element van de verzamelde objecten was dat ze uitheems en zeldzaam waren. Zo konden in één collectie schelpen, planten, narwaltanden, fossielen, botten en mineralen voorkomen, maar ook bijvoorbeeld pijlen en bogen, archeologische vondsten, tekeningen en andere menselijke voortbrengselen. Niet zelden ook werden de naturalia niet in hun oorspronkelijke, maar in kunstig bewerkte staat in de collecties opgenomen. Een voorbeeld vormen de fraaie nautilusbekers, bestaande uit in zilversmeedwerk gevatte nautilusschelpen uit het Stille Zuidzeegebied.

Doctoraalscriptie

De tentoonstelling "De wereld binnen handbereik' in het Amsterdams Historisch Museum geeft een indruk hoe de rariteitencollecties er uit zagen, door wie ze werden aangelegd en welke rol ze vervulden in de wetenschap en in het maatschappelijk leven. De tentoonstelling spruit voort uit een doctoraalscriptie van de historicus Jaap van der Veen, die in het midden van de jaren tachtig een uitgebreid onderzoek verrichtte naar negentig zeventiende-eeuwse Amsterdamse verzamelaars en hun kabinetten.

De schat aan informatie die uit dit en later onderzoek naar voren is gekomen, maakte een gedeeltelijke reconstructie in de vorm van een tentoonstelling mogelijk. Veel objecten zijn verloren gegaan, maar er is ook heel wat bewaard gebleven, zij het vaak in het buitenland. Omdat het burgerlijke collecties waren, vielen ze doorgaans uiteen na het overlijden van de verzamelaar - als deze niet al eerder tot verkoop of veiling was overgegaan. De objecten raakten verspreid en alleen dankzij intensief intermuseaal leenverkeer konden maar liefst 422 voorwerpen - behalve de verzamelobjecten zelf ook prenten, tekeningen, schilderijen, kasten en boeken - in één expositie worden samengebracht. De tentoonstellingsvleugel van het Amsterdams Historisch is daarmee deze zomer zelf getransformeerd tot een soort meta-rariteitenkabinet.

"De wereld binnen handbereik' concentreert zich op de periode 1585-1735. De grenzen van dit 150-jarige tijdvak zijn niet willekeurig gekozen. In 1585 vestigde zich de eerste prominente rariteitenverzamelaar in ons land. Het was de "vermaerde ende seer curieuse doctor' Bernardus Paludanus (1550-1633), een arts die na veel te hebben gereisd door Zuid-Europa en Palestina domicilie koos in Enkhuizen.

Rond een kern van zelf meegebrachte schelpen, planten, dieren, mineralen en etnografica vormde Paludanus in hoog tempo een grote en beroemde rariteitencollectie. De nieuwe aanwinsten werden in veel gevallen aangebracht door een stadgenoot, de ontdekkingsreiziger Jan Huyghen van Linschoten. Het kabinet trok van heinde en verre bekijks en onder de bezoekers bevonden zich geleerden, vorsten en andere hooggeplaatsten. Enkele Zuid-Amerikaanse artefacten (een benen sieraad, een slagwapen en een fluit) behoren tot de vroegste etnografische voorwerpen, ooit in de Nederlanden ingevoerd.

De andere tijdsgrens, 1735, is het verschijningsjaar van de Systema Naturae, het hoofdwerk van de grondlegger van de moderne planten- en dierensystematiek, de in Nederland werkzame Zweedse natuuronderzoeker Carl von Linné (Carolus Linnaeus). Linnaeus' rationele classificatiesysteem stond haaks op de tot dan toe gebezigde ordeningsprincipes in de kabinetten en op termijn leidde het tot een veel systematischer opbouw.

Drogisten

Tussen Paludanus en Linnaeus ligt de bloeiperiode van het Hollandse Konstkabinet. Onder de collectioneurs bevonden zich kooplieden, regenten, stedelijke functionarissen, advocaten, predikanten, apothekers, drogisten, goud- en zilversmeden, juweliers, beeldsnijders, schilders, graveurs en kunsthandelaren, met als belangrijkste gemene deler een aanzienlijk vermogen.

Een van de grotere verzamelaars was de Amsterdamse regent Nicolaes Witsen (1641-1717), tevens bewindvoerder van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Witsen was een universeel belangstellend amateurgeleerde en zijn kabinet was dan ook een exemplarisch amalgaam van naturalia en artificialia uit alle windstreken. Als telg van een rijke, invloedrijke familie en als bekleder van vooraanstaande posities wist hij een uitgebreid netwerk van vrienden en relaties op te bouwen voor de verwerving van nieuwe aanwinsten, onder te brengen in zijn kabinet aan de Herengracht.

In retrospectief is het opvallendste aspect van de zeventiende-eeuwse rariteitenkabinetten hun duizelingwekkende heterogeniteit. Zoals op de tentoonstelling goed is te zien liepen natuur en cultuur, feit en fictie, werkelijkheid en kunst voortdurend door elkaar. Zo werden uitheemse schelpen veelal niet zo maar in een laatje gelegd, maar in een oogstrelend decoratief patroon geschikt; zaten de preparaten uit het kabinet van de Amsterdamse hoogleraar Frederick Ruysch niet zo maar in potten, maar prijkten op de doppen daarvan complete bloem- en schelpstukjes; werden de fraaie losse schelpen in de was gezet, gepolijst, beschilderd, geëtst en van graveerwerk voorzien; en vond de collectie als geheel onderdak in kunstig ingelegde laatjes en kabinetjes.

Maar een zeventiende-eeuwer zou ons onderscheid tussen de verschillende categorieën verzamelobjecten en tussen kunstvoorwerpen en naturalia artificieel hebben gevonden. Voor hem was immers alles even zeldzaam en even vreemd. Dat een Romeinse munt, een bonte knobbelhoorn (Venusschelp) en een walvispenis in één verzameling bijeen waren gebracht, was voor hem de normaalste zaak van de wereld.

Narwal

De verzamelwoede was een direct gevolg van de plotselinge ontsluiting van een nagenoeg ongeëxploreerde wereld. Het bemonsteren en collectioneren daarvan was een logische eerste stap in de richting van begrip en verklaring. Hoewel er in de rariteitenkabinetten veel objecten voorkwamen met een vermeende mythische herkomst (drakebloed, hoorns van eenhoorns), werden die verhalen door menige collectioneur kritisch tegemoetgetreden en niet zelden doorgeprikt. Zo ontdekte men aan het eind van de zeventiende eeuw dat de veronderstelde hoorn van de eenhoorn in werkelijkheid de slagtand was van de Groenlandse narwal. En ook de fabel als zouden paradijsvogels geen poten hebben (bij de slecht geconserveerde exemplaren die Europa bereikten ontbraken ze inderdaad), werd in 1642 op gezag van de natuuronderzoeker Jacobus Bontius ontmaskerd.

Daarnaast dienden sommige particuliere collecties als studie- en referentiemateriaal voor academische geleerden en natuuronderzoekers. Jan Swammerdam jr. legde een grote verzameling insecten en weekdieren aan die hij bij zijn anatomische onderzoek gebruikte; de paleontoloog J.J. Scheuchzer raadpleegde de fossielenverzameling van de Hagenaar Pieter Valckenier bij het samenstellen van zijn boek Herbarium diluvianum; en Linnaeus maakte bij zijn baanbrekende taxonomische arbeid gebruik van de rijke plantencollectie van de Amsterdamse apotheker Albertus Seba. De konstkabinetten waren derhalve meer dan vergaarbakken van curiosa - de verzamelingen sloten wel degelijk aan op de academische infrastructuur.

Door het grote aantal topstukken en de diversiteit daarvan is "De wereld binnen handbereik' een tentoonstelling om met een slakkegang doorheen te gaan. Niet alleen roepen de objecten, prenten, schilderijen, boeken en meubels in combinatie reminiscenties op aan een echt rariteitenkabinet, ze zijn veelal ook op zichzelf bewondering en langdurige beschouwing waard.

De schitterende tekeningen van geleedpotigen uit de albums van de Delftse burgemeester Hendrik d'Acquet; de fraai ingelegde kunstkabinetjes met hun vele laatjes; de afbeelding van een menselijk hart door de kleurendrukpionier Jacob Christoph le Blon; de aandoenlijke tekeningen van Amsterdamse kabinetten, dierentuinen en volières door de amateur Jan Veltman; ze brengen de wereld van de zeventiende-eeuwse rariteitenkabinetten binnen handbereik, en daarmee weer tot leven.