Directeur Henk Scholten: "Nieuw Fonds Podiumkunsten biedt tijdwinst'

Henk Scholten, directeur van de schouwburg in Terneuzen, wordt de eerste directeur van het nieuwe Fonds voor de Podiumkunsten. Hij gelooft dat het in het nieuwe Kunstenplan lager uitgevallen budget voor ad hoc-produkties niet nog verder zal dalen.

DEN HAAG, 3 JULI. “Ik bevind me opnieuw in een situatie waarin weinig te verliezen en alles te winnen is.” De conclusie aan het slot van het gesprek lijkt Henk Scholten zelf te verrassen. En dat terwijl hij juist om die reden na vijf jaar opstapt als directeur van de schouwburg in Terneuzen. Dat was "pionierswerk' en zulk werk gaat Scholten naar zijn gevoel weer verrichten nu hij met ingang van het nieuwe theaterseizoen de eerste directeur van het Fonds voor de Podiumkunsten wordt.

Het Fonds is een uitvloeisel van het nieuwe Kunstenplan. Het initiatief past in het streven van minister d'Ancona van WVC naar meer efficiency en "flexibilisering'. Scholten gaat de ad hoc-subsidies voor de podiumkunsten beheren. Daarmee komt een eind aan een omslachtige procedure voor zowel kunstenaars als subsidiënten. Kunstenaars plachten hun gemotiveerde subsidie-aanvragen voor eenmalige projecten aan het eind van het jaar in te dienen bij het ministerie. Dat stuurde de aanvragen naar de Raad voor de Kunst, waar werkgroepen, afdelingen en de kernraad zich erover bogen. Daarna gingen de adviezen naar het ministerie dat voor de uitvoering zorg droeg. Al met al kon pas in mei bekend worden welke aanvragen gehonoreerd werden, veelal te laat om nog voor een behoorlijke afzet te zorgen in het seizoen daarop.

Scholten: “Behalve de tijdwinst ten aanzien van de programmering spelen ook andere overwegingen een rol. Voor de indieners van aanvragen is het lastig om op basis van een onzekere uitslag de mensen met wie zij willen samenwerken, aan zich te binden. Daarnaast heeft de Raad voor de Kunst te kennen gegeven zich te willen concentreren op de grote lijnen van het beleid en biedt het Fonds de overheid de mogelijkheid te bezuinigen, omdat zij met minder uitvoerende ambtenaren toe kan.”

Het Fonds gaat behalve uit een directeur en tien medewerkers uit een adviescommissie van maximaal twaalf deskundigen bestaan voor mime, toneel, cabaret, dans, muziek-, jeugd- en poppentheater. Ook de aanvragen voor reis- en studiebeurzen en de promotie van Nederlandse podiumkunst in het buitenland gaat onder verantwoordelijkheid van het Fonds vallen. De commissie heeft de mogelijkheid deskundigheid buiten de deur in te schakelen, vergelijkbaar met de werkgroepen van de Raad voor de Kunst.

De veronderstelling dat het Fonds door die opzet toch weer een soort raad dreigt te worden, bestrijdt Scholten. “Onze activiteiten zijn veel breder en tegelijkertijd specifieker door de samenhang. Onze taak is niet beperkt tot adviseren, wij honoreren ook en behartigen de uitvoering van onze beslissingen. Daarnaast kunnen wij, veel systematischer dan de Raad, contact onderhouden met steden die een eigen ad hoc-budget hebben en ons beleid daarop afstemmen. Wij bewegen ons ook op een andere, veel nadrukkelijker manier in het veld dan de Raad en WVC nu gezamenlijk kunnen. Zo zullen wij ons inspannen voor afzet en distributie van de door ons gefinancierde projecten, via onze contacten met de schouwburgen en de theaternetwerken. Iets dergelijks geldt voor het buitenlandbeleid. Al die activiteiten behoren nu nog tot de verantwoordelijkheid van uiteenlopende instellingen, met alle gevaar van doublures en omissies vandien.”

Het Fonds wordt gevestigd in Den Haag. In dezelfde stad, in de Tweede Kamer, wordt over de officiële instelling pas eind van dit jaar beslist, als de Kaderwet Specifiek Cultuurbeleid aan de orde komt. Scholten is dan ook aangenomen door het bestuur van de Stichting ter Voorbereiding van een Fonds voor de Podiumkunsten. Doelend op de uitslag van het zojuist gehouden debat over het nieuwe Kunstenplan zegt Scholten met enige ironie in zijn stem dat het beoogde Fonds "volgens de laatste rekensom' 10,5 miljoen gulden zal gaan beheren. Door al het geschuif met geld en het dichten van gaten is het ad hoc-budget twee miljoen gulden lager dan tot nu toe. Met het oude budget werden jaarlijks gemiddeld 75 van de 500 aanvragen gehonoreerd. Naar verwachting zal dat aantal dalen. Bovendien heeft de minister meer mogelijkheden het budget verder te verlagen doordat zij het Fonds jaarlijks wil subsidiëren en niet, zoals alle grote kunstinstellingen, vierjaarlijks. Ook over die wens debatteert de Kamer eind van dit jaar.

Scholten: “De Raad wilde een vierjaarlijkse subsidiëring, ter bescherming van het budget. Ik zie ook geen andere reden waarom de minister zich voor kortere tijd wil vastleggen dan om het budget tussentijds te kunnen verlagen. Anderzijds lijkt het me zeer moeilijk voor een minister, die vóór ad hoc-subsidiëring en flexibilisering zegt te zijn, nog verder te korten op een instelling die zij juist daartoe in het leven roept. Ik heb er wel vertrouwen in dat zij niet verder wil bezuinigen, temeer daar het ad hoc-budget nu voor het eerst beheerd gaat worden door een zelfstandig instituut dat een gezicht heeft en voor de eigen belangen kan opkomen.”

Scholtens optimisme wordt wellicht ingegeven door de infrastructuur die hij heeft weten aan te brengen in Terneuzen, in het vóór zijn aantreden als directeur in 1987 kwijnende Zuidlandtheater. Er waren toen 40 professionele voorstellingen per jaar te zien, en nu omstreeks 110, uiteenlopend van muziek en (Vlaams) toneel tot moderne dans. Het multifunctionele schouwburgje - de aula wordt gedeeld met een school - fungeert met 500 stoelen nu als regionale trekpleister. De gemeente heeft zich nu zelfs voorstander verklaard van nieuwbouw, alleen het geld daarvoor moet nog worden gevonden.

Scholten: “Ik werk het liefst in situaties waarin ik iets op poten kan zetten. Niet alleen organisatorisch: ik zal zeker proberen mijn stempel te drukken op het beleid van het Fonds, al is daar in de eerste plaats de adviescommissie voor. We moeten niet vergeten dat dit Fonds, al is het klein, internationaal gezien vaak het spraakmakendste deel van de Nederlandse podiumkunsten vertegenwoordigt. Het is mijn vaste voornemen dat de komende jaren ook nog anders dan met woorden duidelijk te maken.”