Denksport in de hongerwinter; J.A. Deelders jazz-verhalen

J.A. Deelder: Jazz. Uitg. De Bezige Bij, 160 blz. Prijs ƒ 21,50.

J.A. Deelder is een luidruchtig schrijver. Wie hem leest, is een toehoorder van de gelijknamige performer en krijgt het proza met een bitse, verbeten intonatie in het gezicht geslingerd. Deelder gebruikt adjectieven als waaaaanzinnig en ontzzzzzzzettend, deinst niet terug voor puberwoordspelingen als macrospigotisch of trombosevirtuoos en geeft veel van zijn zinnen halverwege een verrassende wending, als de volleerde conferencier. “De meesten zijn al dood, 'k zal sterven als het niet waar is!” schrijft hij, wetend dat zijn publiek daarbij in de lach zal schieten. “Driekwart van de Ramblers is dood en de rest zit al jaren met open benen,” staat ergens. En, een van zijn beste: “...in de barre winter van '44 op '45, toen het westen des lands gebukt ging onder honger, koude en terreur en de oude, beproefde medewerkers van het tijdschrift Denksport - zij het met welhaast bovenmenschelijke inspanning - toch een groot aantal puzzles, problemen en kruiswoordraadsels wisten samen te stellen.”

Ik heb hem die laatste zinsnede op het toneel horen uitspreken en waarachtig: in de manier waarop Deelder in de bijzin zijn stem liet schallen, was de archaïsche sch in "bovenmenschelijke' bijna hoorbaar. De bespottelijke koppeling tussen de hongerwinter en de bedaarde activiteiten van de Denksport-redactie is typisch Deelder: hij haalt veel van zijn hilarische effecten door trivialiteit en opperste ernst op gelijk niveau te plaatsen.

De nieuwe bundel Jazz bestaat grotendeels uit eerder her en der verschenen verhalen en gedichten, die allemaal iets met zijn favoriete muziekgenre te maken hebben. In het eerste (en langste) vertelt hij, aan de hand van een bezoek aan het North Sea Jazz Festival, zijn eigen jazz-geschiedenis - chaotisch en in de speedy taal van de straat: het concert was "té gek', hij was "zo stoned als een aap' en platen worden niet gekocht, zelfs niet gejat, maar "gescoord'. Ook elders schiet hij voortdurend zijpaden in.

“Een knappe vent die er nou nog een touw aan vast kan knopen!” roept hij in een ander verhaal uit, na de zoveelste zijsprong. Deelder vertraagt en versnelt, maakt worstzinnen die kunnen meanderen als een solo van Chet Baker, en springt dan weer onverhoeds over op het gesyncopeerde ritme van een felle drummer. Een lezer als ik raakt daar soms enigszins amechtig van. Gelukkig schuilt in het geweld af en toe de komische overdrijving van een zinsnede als: “...een schijf die tot de zeldzaamste ter wereld gerekend mag worden en dan druk ik me nog héél bescheiden uit...”

Toch gaat mijn voorkeur uit naar de plekken waar Deelder geen nummer opvoert, maar in zorgvuldig gekozen woorden zijn liefde voor het onderwerp overbrengt. Zoals in het beeldende gedicht ornette coleman is u daar? waarin hij als een late Vijftiger associeert op de klanken van de grote blazer. Maar het liefst van alles is mij het verhaal over de Rotterdamse trompettist Eddie Daté, die voor de oorlog de sterren van de hemel speelde, maar in 1960 roemloos om het leven kwam. Sober en ingetogen schreef Deelder de ontroerend korte biografie, met veel gevoel voor het vooroorlogse muzikantenbestaan - als een bescheiden chroniqueur die zichzelf heeft weggecijferd en zijn hoofdpersoon alle eer gunt: “Wie zo speelde hield de wereld in z'n hand.”