De stilte tussen de woorden; Het Bahasa Indonesia en de poezie van Goenawan Mohamad

Wie in Indonesië schrijft doet dat niet in de moedertaal maar in het Bahasa Indonesia. “Zouteloosheid is de norm geworden,” zei de Javaanse dichter en journalist Goenawan Mohamad hierover onlangs in Nederland. Welke invloed heeft de politiek op de poëzie gehad? Een beschouwing over gedichten vol toespelingen, geschreven in een taal die lijkt op een landschap bijna zonder vegetatie, met hier en daar een eenzaam bosje armetierige bamboe.

Hoe zou het zijn als Europa minder dan vijftig jaar geleden én staat was geworden, met één voertaal, laten we zeggen een soort aangepast Deens. Journalisten, ambtenaren en niet in de laatste plaats dichters en schrijvers zouden, ook in Nederland, schrijven in dat nieuwe Deens. Die taal zouden ze weliswaar op school hebben geleerd, maar thuis en in de alledaagse omgang zouden ze nog altijd hun moedertaal spreken. Nu is Deens voor ons nog tamelijk verwant, maar je vraagt je af wat men er van zou bakken - en over hoe dat in sommige andere delen van Europa zou zijn zwijg ik maar.

Er wordt niet vaak bij stil gestaan, maar iets dergelijks is eigenlijk de situatie in Indonesië. Je ziet Indonesische boeken, kranten en tijdschriften, maar wie realiseert zich dat die worden gevuld door mensen die niet hun eigen taal schrijven? Je hoort of leest de gedichten van bijvoorbeeld Rendra, maar wie staat er bij stil dat de taal waarin hij schrijft zijn moedertaal niet is? Hoe is het voor een Javaan, een Soendanees of een Batak, gezwegen van sprekers van talen die nog verder van het Maleis zijn verwijderd, om zich in Bahasa Indonesia uit te drukken, laat staan er gedichten in te schrijven? Daar hoor je alleen bij hoge uitzondering iets over.

Zo'n uitzondering deed zich kortgeleden voor in Leiden, toen de Indonesische dichter en journalist Goenawan Mohamad bij het ontvangen van een culturele onderscheiding¹ een opmerkelijke rede uitsprak. Nu worden er in Leiden wel vaker redes uitgesproken en die zijn natuurlijk allemaal opmerkelijk, maar wat Goenawan daar gezegd heeft was werkelijk indrukwekkend.

Goenawan Mohamad werd geboren in Batang, een dorpje aan de Noordkust van Midden-Java in de buurt van Pekalongan, in 1941. Zijn moedertaal was een soort Javaans, maar deze taal, waarin hij als kind "dacht en sprak, klaagde en schreeuwde' was, zoals hij mismoedig opmerkt, zo onbetekenend dat het niet eens gold als een dialect. Op school werd deze taal verdrongen ("maar niet helemaal') ten gunste van een Javaans dat door de elite werd gesproken en dat hij nooit op een spontane wijze leerde spreken. Hij noemt het "stamelen', en hij beschrijft hoe hij en vele lotgenoten deze onbeholpen manier van spreken op den duur leerden beschouwen als iets natuurlijks. En dat is dan nog Javaans: de nationale taal, gebaseerd op het Maleis, is nog verder van huis.

Dat taalprobleem, zoals Goenawan er over schrijft, blijkt veel ernstiger te zijn dan je zou vermoeden en heeft eigenlijk de proporties van een nationale tragedie - “Ik zou een verhaal willen vertellen, het verhaal van een Indonesische dichter die moet schrijven in een klimaat van ineenstorting van de taal.”

Die dichter is hij uiteraard zelf. Met weemoed en verlangen beschrijft Goenawan hoe in andere talen de literatuur kan putten uit de diversiteit van allerlei verschillende taalgebruiken, "van dichters en van priesters, van clowns en van pooiers', het taalspel dat Bakhtin "dialogized heteroglossia' heeft genoemd; “in andere woorden het uitbundig plezier maken met specifieke en concrete betekenissen, waarmee een heel eigen en persoonlijke uitdrukkingskracht bereikbaar is.

“Zo'n carnaval van expressie ontbreekt grotendeels in het hedendaagse Indonesisch. Het domein van de officiële en nationale taal wordt voornamelijk gevonden tussen de vier muren van schoolklassen en kantoren, in seminars en conferenties, of in de vrijblijvende gelegenheidspraatjes van oppervlakkige kennissen, niet in de wrange of geestige woorden van schrijvers. Er is geen element in dat tot de zinnen spreekt. In het monotone leefklimaat van deze taal schijnt de werkelijke wereld niet te bestaan, niet relevant te zijn.

“Onze taal is losgescheurd van de wereld, beroofd van vorm, geur, kleur en gedaante, schoongewassen en ontdaan van modder en graffiti, van de opschudding en het tumult die het werkelijke leven vormen.”

Unesco

Een van de redenen dat mij dit zo sterk aanspreekt is dat ik me er een duidelijke voorstelling bij kan maken - niet het Indonesisch, want dat ken ik niet genoeg om er veel nuance in te kunnen onderscheiden, maar iets anders: Unesco-ees. In de decennia dat ik van nabij met Unesco te maken heb gehad heb ik die taal zien ontstaan en er een hartgrondige afkeer tegen ontwikkeld. Het is een soort dialect van het Engels, net als het barbaarse KLM-Engels dat je hier in Nederland vaak hoort spreken en bijna even armoedig, maar Unesco-ees is meer gegroeid uit vergadertaal, ambtelijke uitdrukkingen en rapporten vertaald door mensen die het Engels niet tot moedertaal hebben. Het dankt zijn ontstaan vooral aan de behoefte nietszeggendheden gewichtig en officieel te doen klinken en verschillen in nationale ontwikkeling te verhullen door eufemismen en irrelevante wijdlopigheden. Het resultaat was (is) een dorre, zwaarwichtige en van de werkelijkheid afgesneden taal waarin niets ooit helder en simpel is, en die een merkwaardige aantrekkingskracht lijkt uit te oefenen op warhoofden en politici met totalitaire aspiraties.

Het Indonesisch dat Goenawan beschrijft vertoont angstaanjagende overeenkomsten met het Unesco-ees. “Het is deze taal,” schrijft hij, “die het publiek om redenen van "tijd- en plaatstekort' voorgezet krijgt door de pers en de andere massamedia in de vorm van een karakterloze maar gemakkelijk verteerbare brij. Zouteloosheid is de norm geworden in deze taal, en de overheid, de politieke machthebbers, hebben zich er gretig meester van gemaakt. Het is verlaagd tot de grootste gemene deler, de voertaal voor zowel het publiek als voor de bureaucraten, die het gebruik ervan opdringen en er op toezien dat het door iedereen zonder morren wordt geslikt.”

Een andere voedingsbodem waar dit Indonesisch in wortelt is politieke leuzen. Over het verarmende effect daarvan heeft Goenawan al vaker geschreven, onder andere in een boeiend artikel in Tempo over het befaamde "Manifes Kebudayaan', het Culturele Manifest van 1963, beter bekend onder de scheldnaam "Manikebu' die er destijds door de communistische pers aan is gegeven en die in het Indonesisch ongeveer klinkt als "karbouwensperma'. Goenawan was een van de ondertekenaars van dit manifest, dat ontstond als reactie tegen de steeds succesvollere pogingen van vooral communistische zijde om literatuur en cultuur aan de partij-ideologie te onderwerpen.

Het was de tijd van Soekarno's "geleide democratie'. Goenawan was vijfentwintig. “Na een meedogenloze campagne tegen het Manifest door schrijvers en organisaties nauw verbonden met de Indonesische communistische partij (PKI),” schreef Goenawan, “werd het jonge Manifest door Soekarno op 8 mei 1964 bij de wet verboden. Schrijvers en intellectuelen die er mee geassocieerd waren werden ontslagen of gedegradeerd, vooral mensen met een regeringsbaan of verbonden aan een universiteit. Hun publicaties werden, in één adem met andere "contra-revolutionaire' geschriften verboden. Er was plotseling een golf van massamanifestaties waarin van de autoriteiten werd geëist om alle "Manikebu-elementen' uit de universiteiten, de pers, de filmindustrie en de kunsten te verwijderen.”

Newspeak

Hoewel Goenawan ook door deze maatregelen werd getroffen schrijft hij er betrekkelijk mild over; wat hem bezighoudt is niet zozeer de politiek als wel de uitwerking op het Indonesische culturele leven en de taal. “Zeker,” schreef hij, “de periode van de "geleide democratie' was niet helemaal een totalitarisme van het Orwelliaanse type. Maar het had zijn eigen "newspeak', een taal vol galvaniserende acroniemen; het oefende ook een soort mind control uit. Voor het eerst in de geschiedenis van de Republiek kwamen de intellectuelen oog in oog te staan met een machtige vorm van staatsterreur - die voortbestaat tot op de huidige dag.

“Het opvallendste aspect van Soekarno's "geleide democratie', voor zover het 't schrijven over intellectuele zaken betreft, was een niet aflatende drang om te getuigen van je bewustzijn van de staatsdoctrine, i.e. Soekarno's politieke manifest van 1958. Herhaalde roepen om "indoktrinasi' werden in vrijwel alle politieke kringen vernomen, met het Marxisme en de geschriften van Soekarno als hoofdbestanddelen van de leer. Het leek of niemand vrij was van de drang er uit te citeren. "Revolutie' werd een hypnotiserend woord: het kon je opzwepen tot zowel verzet als gehoorzaamheid. Het onmiddellijke gevolg, wat de literatuur betreft, was het verstikken van de mogelijkheden van expressie in het Indonesisch. Ondanks Soekarno's kleurrijke bijdragen tot de woordenschat van het Indonesisch in die tijd was de gebruikte toon voornamelijk agressief: woorden als mengganyang (vermorzelen), mengeremus (iets tussen de tanden vermalen) prevaleerden in het Indonesische politieke idioom van de "geleide democratie'. Dat liet weinig ruimte over voor de vorming van andere denkbeelden.

“Het werd slechter toen men verplicht werd de aanvaarde of voorgeschreven verbale stijl telkens opnieuw te herhalen: je moest voortdurend je revolutionaire gezindheid bewijzen. De openbare taal ontwikkelde zich snel tot een automatisme, beheerst door een serie gemakkelijk te herhalen politieke leuzen. Meer en meer Indonesische woorden verplaatsten zich naar het terrein van het abstracte, met termen als Rakyat (het volk), tani (boer), buruh (arbeidersklasse), tanah air (vaderland), kemerdekaan (vrijheid) en zo meer, meer abstract gebruikt dan om naar bepaalde mensen of situaties te verwijzen.

“Voor dichters, levend met concrete poëtische beelden - woorden bedoeld om vluchtige dingen op te vangen uit de zintuiglijke wereld - was dit een uiterst moeilijke tijd. Steeds minder schrijvers waren in staat de taal te gebruiken als een bron van avontuur en van oorspronkelijkheid. Op een dag, toen ik in de schaduw van een boom voor een galerij in Jakarta zat, zag ik een paar mussen heen en weer scharrelen tussen licht en schaduw, en het trof mij dat ik er tot dusver niet in geslaagd was de betekenis tot mij door te laten dringen van allerlei onmiddellijke dingen om mij heen en er de voorkeur aan had gegeven alleen te luisteren naar en te schrijven over grote ideeën gehuld in grote woorden. Geen wonder dat in de nasleep van de "geleide democratie' in de late zestiger en vroege zeventiger jaren, Rendra zich aandiende met korte toneelstukken waarin een minimum aan woorden werd gebruikt - alsof je, om jezelf waarachtig uit te drukken veel van de bestaande zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en adjectieven moest vermijden waarvan misbruik was gemaakt door de politisering van de taal.”

Toespelingen

Het opmerkelijke is dat deze tekst, oorspronkelijk gepubliceerd in het door Goenawan opgerichte tijdschrift Tempo², al in de kern het gegeven bevat dat in de Leidse toespraak het hoofdthema zou worden, namelijk dat de Indonesische poëzie vooral berust op bedekte toespelingen, op wat tussen de regels door wordt gezegd, door Goenawan aangeduid met het Javaanse woord pasemon, dat zoiets als "zinspeling' betekent. “Als we kijken naar een gedicht in het Indonesisch,” schrijft hij, “kijken we niet in "de dicht overbevolkte wereld van literaire taal'. De taal die wij zien vormt een steriel landschap bijna zonder vegetatie, met hier en daar een eenzaam bosje armetierige bamboe, een landschap waarin alleen de armste landverhuizers onderdak zouden kunnen vinden. Maar voor de Indonesische dichter is dat de enige taal die voor hem beschikbaar is.

“[De Indonesische poëzie] berust niet op de kracht van het woord en zijn variaties. In het geheel niet. [Het mooiste Indonesisch, zegt Goenawan ergens, was dat van de dichters Amir Hamzah (1911-1946) en Chairil Anwar (1922-1949) en dat waren niet toevallig allebei Sumatranen, die het Maleis als moedertaal hadden.] In Indonesische gedichten voelen we niet vaak wat Roland Barthes "een luchtspiegeling van citaten' heeft genoemd, het gevoel van déjà lu. Het gevoel dat ontstaat bij het lezen van een Indonesisch gedicht lijkt meer op wat een negentiende-eeuwse Javaanse dichter eens heeft genoemd: "de helderheid van een hart dat leeg is, wezenlijk van inhoud'.”

Goenawan illustreert dit met een prachtig kort gedicht van Rendra:

Er zijn twee vogels, mannelijk envrouwelijk

die neerstrijken op een tak

Er zijn twee bladeren, niet mannelijkof vrouwelijk

die van de tak vallen

Er is wind en vallende kapok, allebeioud al

vertrokken naar het zuiden

Er zijn vogels, bladeren, kapok, winden misschien ook stof

bezinkend in mijn lied.

Zoals voor de hand ligt zijn deze opmerkingen ook en vooral van toepassing op Goenawans eigen poëzie. Het is jammer dat daarvan zo weinig beschikbaar is in vertaling; er is bovendien maar weinig van, Goenawan heeft bij elkaar niet veel meer dan een honderdtal gedichten geschreven. Enkele daarvan zijn vertaald (in het Engels) in Modern Indonesian Literature van Teeuw³, waarin veel aandacht aan Goenawan wordt besteed, niet alleen als dichter, maar ook als essayist en criticus. Na opgemerkt te hebben dat er in Indonesië heel weinig goede critici zijn schrijft Teeuw: “De primus inter pares hier is Goenawan Mohamad, die al genoemd werd als redacteur en oprichter van het weekblad Tempo. Als criticus paart hij een scherpe geest aan poëtische gevoeligheid en oprechtheid. Hij heeft bovendien een briljante, zij het niet altijd gemakkelijke stijl en zijn invloed op de ontwikkeling van moderne poëzie en kunst in het algemeen kan moeilijk worden overschat. In dit verband wil ik wijzen op zijn rubriek (in Tempo) Catatan Pinggir ("aantekeningen in de marge'), vaak kleine juwelen van literaire oorspronkelijkheid, van een buitengewone belezenheid getuigend.” Een bundel van Goenawans essays verscheen in 1972 onder de titel Portret van de jonge dichter als si Malin Kundang (een legendarische figuur uit de Maleise literatuur); uit dezelfde periode dateren ook de dichtbundels Pariksit (1971) en Interlude (1973).

Ingetogen

Maar intussen is het alweer 1992; er verschijnt nu dan eindelijk binnenkort een verzamelbundel van Goenawans gedichten&sup4;, maar helaas niet in vertaling. Prof. Teeuw, die de inleiding bij deze Indonesische editie heeft geschreven, was zo vriendelijk mij het manuscript van de bundel te lenen en zo komt het dat ik de laatste twee weken een nogal intensief gebruik heb gemaakt van mijn Indonesische woordenboeken en meer en meer in de ban ben geraakt van deze merkwaardige ingetogen en terughoudende gedichten, die soms in de verte aan Remco Campert (of Jan Hanlo) doen denken: zo eenvoudig dat je de diepgang onderschat.

Een prachtig voorbeeld is het al in Teeuws literatuurgeschiedenis van 1979 opgenomen "Kwatrijnen over een potje':

Op dit naamloze aardewerk

zie ik je gezicht terug.

Blijkbaar zijn mijn ogen zo gek nog niet

voor iets dat er niet is.

Wat is er, buiten deze halve illusie

zo kostbaar aan deze klei?

Iets dat op den duur zal barsten

En wij maken het eeuwig.

Wat in de vertaling verloren gaat is de klank van dat "wat op den duur zal barsten' (yang kelak retak), dat Teeuw ook in de titel van zijn inleiding bij de dichtbundel heeft verwerkt: Membikin abadi yang kelak retak, "eeuwig maken wat op den duur zal vergaan', "het vergankelijke eeuwig maken'.

Een gedicht dat mij ook trof is "Di Serambi' (Op de galerij) uit 1979, doordat het herinnert aan wat Goenawan beschreef: dat hij bij een galerij zat in Jakarta en opeens inzag dat hij er tot dusver niet in geslaagd was de betekenis tot zich door te laten dringen van allerlei onmiddellijke dingen om hem heen en er de voorkeur aan had gegeven "alleen te luisteren naar en te schrijven over grote ideeën gehuld in grote woorden.' De echo daarvan klinkt door in de regel: "ik wil niet praten over/ het jaar 2000'

In dit huis luisteren wij naar Bach

Wie vlucht daar, aan het einde van de weg, in het bloed?

"Ik weet het niet, moeder, ik wil niet praten over

het jaar 2000.'

Onherroepelijk verloren is de wildernis.

In onzichtbare motregen delireert de avond.

Het is helaas niet mogelijk om hier langere gedichten te citeren, zoals het titelgedicht "Over iemand die vermoord werd aan de vooravond van de algemene verkiezingen', maar iets van dezelfde atmosfeer is voelbaar in het gedicht "Ochtend', met de angstaanjagende herhaling aan het eind:

Er valt een motregen alshorlogewijzers. Duizenden

sneuvelen er op het zink en de dageraad

uit een ver uurwerk.

Een vleermuis schreeuwt nog,

gewond; gestoken

in zijn ogen. Ik kan zijn bloed al zien.

En schaduwen vluchten

hoewel er geen schuilplaats

is. Hoewel er geen

schuilplaats is.

Maar een van de gedichten die mij het meest heeft aangegrepen is "Voor H.J.' - misschien om een oneigenlijke reden. Die is dat ik weet dat de vader van Goenawan in 1946 door de Hollanders is doodgeschoten. Zijn beide ouders waren als leden van de PKI al voor de oorlog geïnterneerd geweest op Boven Digoel en misschien waren de Nederlandse soldaten die Batang kwamen bezetten in het bezit van een zwarte lijst. In elk geval werd hij onmiddellijk zonder vorm van proces geëxecuteerd. Goenawan was vijf en mocht zijn vader niet meer zien.

Met een Galilei-kijker

zie ik een uitgedoofde ster

zie ik witte planeten

zich afzonderen

Ik zie ook het zwarte uitspansel

kolkend als de nacht

en vogels die achterblijven

in de grommende regen

"Mijn kind.'

"Vader.'

"Misschien zie ik je.'

"Nee, vader.'

(1) Professor Teeuw Award 1992, uitgereikt op 25 mei j.l. in het Academiegebouw in Leiden. Een brochure van de bij die gelegenheid uitgesproken teksten verscheen bij het Kon. Instituut voor Taal- Land en Volkenkunde.

(2) in het Engels verschenen als Working Paper No 45 bij het Centre of South East Asian Studies, Monash University, Australië.

(3) A. Teeuw: Modern Indonesian Literature, 2 vols., Den Haag, Martinus Nijhoff, 2e druk 1979.

(4) Tentang seorang yang terbunuh di sekitar hari pemilihan umum, dengan pendahuluan oleh Prof. A. Teeuw, te verschijnen bij Grasindo, Jakarta, 1992.