"De mensen zijn hard hier'

Voor een groot aantal mensen speelt het werk zich op straat af. Politiemensen, pomphouders, de bezorger van de krant. Alice Oppenheim vroeg naar hun belevenissen. Vandaag Siets Willems van de SRV (Samen Rijdend Verkopen), met haar "delicatessenwinkel'.

Terwijl het journaal van acht uur alle mogelijke vormen van menselijk geweld te zien en te horen geeft, bakt Siets Willems drie blinde vinken bij een dampend bloemkooltje en vier eigenheimers. Handig schept ze het voedsel op het bord van haar echtgenoot. Ze lijkt een amazone, zoals ze haar werkzaamheden verricht. Na de operatie heeft ze haar rechterborst niet door een prothese laten vervangen. “Het is een zootje in de wereld, maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Het leven gaat door en de mensen willen goed te eten hebben.”

Ze heeft de stekker van haar elektrische SRV-wagen in het speciale stopcontact aan de zijkant van haar huis gestoken, na een uurtje of tien kan-ie weer een dag vooruit, inclusief de telmachine, de weegschaal en de binnenverlichting. “Morgen sta ik om zes uur op en dan ga ik samen met Kees de kar inladen. Kees is zeventien, hij heeft geen moeder meer en hij is een nier kwijt. Ik heb geen kinderen en ik heb kanker gehad. We voelen elkaar aan. We rijden voor het betere publiek in een villawijk.

“Ik geniet van die mooie tuinen en huizen. Als ik er zo aan kom rijden weet ik precies waar ik de mooiste tuin kan zien. Hij ligt op een splitsing, heeft een mooie glooiing rond een treurwilg en een dal waar altijd kleuren in zitten. Ik bestudeer die tuin elke week, terwijl mevrouw geen klant van me is. Het mooiste huis is net een paleis. Net zo vierkant met net zulke oude ramen. Toen het te koop kwam te staan, hoorde ik erover fluisteren in de kar. Toen heb ik een vrouw die klant bij me is gezegd dat ik het een huis voor haar vond. Ze heeft het gekocht en haar man is me komen bedanken.

“Het was in de tijd dat ik geopereerd moest worden. Als je bang bent, zei hij, moet je goed onthouden dat jij in je werk een witte jas aan hebt en die dokter ook. Jullie hebben allebei een eigen persoonlijkheid en jullie zijn allebei belangrijk. Dat heeft me enorm geholpen.”

Siets woont in een gewoon hoekhuis. Tussen het ontoegankelijk aangeharkte groen van de buren is haar voortuin een paradijs voor kinderen. De vele kisten en kratten liggen er in een soort désarrangé bien arrangé waarop een conceptueel kunstenaar jaloers zou zijn.

“Ik zit al 23 jaar op de kar, maar ik heb de laatste jaren pas echt zelfvertrouwen gekregen. Als je jong bent denk je dat je niks bent en niks kunt. Dat iedereen meer is dan jij. Dat je alles ook nog voor de mensen in de keuken moet zetten. Ik liep vaak te racen met flessen melk en grote kratten frisdrank, ben wel eens in een kelder gedonderd met een krat bier. Van mijn goedheid is veel geprofiteerd. Dat kwam omdat je liefhebberij in je werk had en omdat je het gevoel kreeg dat je nodig was. Je hoort veel verhalen, vooral als ze met mekaar aan de praat raken. Aan mij vertellen ze niet vaak iets. Dit soort publiek is voor ons soort mensen zo gesloten als een boek. Toch merk je aan het gedrag of ze echt iets in de melk te brokken hebben. Als ze zo zonder je aan te kijken de kar instappen en dan zonder een woord te zeggen betalen en wegwezen, dan weet ik het al.

“Je kunt aan de kinderen merken of ze bang zijn. Sommige kleintjes worden heel lawaaierig en druk, of heel stil. Vooral als het thuis niet goed zit. Het komt hier veel voor dat de mannen de benen nemen. Een jaar of zeven geleden gebeurde dat bijna dagelijks. Dat had met de welvaart te maken. Toen zag je ineens al die grote auto's voor de deur staan. En langzaamaan niet meer voor de deur staan. Dan zag je zo'n vrouw in een paar maanden in mekaar zakken. Of met een blauwe wang in de kar stappen. Ik heb heel veel medelijden gehad met heel veel vrouwen hier. Dat ik dacht, mens heb je je ogen nou in je zak of hoe zit het.

“Als hun man weg is, worden vrouwen vaak eerst trotser. Siets, hij is eruit, nou ga ik aan mijn eigen leven beginnen. Maar na een paar weken begint het gedonder, dan wil hij zijn stoelen, dan wil hij de fiets en dan wil hij het dubbele bed. Ik heb wel es een taart bij zo'n klant gebracht, omdat ik het zo zielig vond. Ik heb ook wel es een oude moeder bij me gehad die me verbood om haar dochter bier te verkopen. Ik mocht maar twee of drie flesjes per dag afgeven. Ik heb die moeder gezegd dat ik vond dat ze het verkeerd zag en dat ze zich er niet mee moest bemoeien. Met hardheid bereik je niks. Die dochter heeft zich dus ook letterlijk doodgedronken.

“Soms proberen klanten je iets te verkopen. Vorig jaar had ik er eentje die zei, Siets ik heb schattige T-shirtjes gezien. Zal ik er drie voor je meenemen voor tweeëneenhalf honderd gulden? Ik dorst geen nee te zeggen, want je bent afhankelijk voor je klandizie, maar ik had er achteraf goed de pest over in. Onderlaatst was er een die me vroeg of ik niet een regeling met haar kon treffen dat ik bij haar in de straat langs zou komen. Daar werd ik warm van kwaadheid over.

“De mensen hier spelen veel komedie en ze zijn hard voor elkaar. Er wonen veel goed opgeleide vrouwen in mijn wijk. Er zijn er die heel creatief bezig zijn, met hun tuin of met hun huis. Soms zitten ze dan achter speciale stukkies zilver aan of achter een antiek kastje. Die prakkizeren elke keer weer iets anders voor zichzelf. Maar ik vraag me wel es af waarom sommigen er niet op uitgaan. Dat ze dat niet doen heeft volgens mij toch met een soort statusgevoel te maken. Of dat het niet hoeft of mag van hun man. Ik kan dat niet goed begrijpen. Je denkt dat je zat mensenkennis hebt, maar je weet toch lang niet alles.”

Binnenkort wordt Siets vijftig jaar. Ze krijgt het nog moeilijk, met de overgang, en met de bejegening die de oudere vrouw ten deel valt. En met de afnemende welvaart. Ze beseft dat. “Het wordt allemaal wat minder voor iedereen, dat kan je nu al merken. Voor mij is het vooral een dankbaar iets om dit werk te doen. Het is een soort rijdende delicatessenwinkel waar heel veel meer aan vastzit dan je denkt. Vooral de oudere mensen rekenen op je. Je moet je handel eerst zelf voorschieten, ook je dure brood en je verse spullen. En dus goed kunnen plannen. Soms denk ik wel es, je hebt een lintje verdiend voor alles wat je hebt gedaan en doorstaan in je leven. Maar dan realiseer ik me dat het allemaal te maken heeft met het welzijn van andere mensen, gecombineerd met het welzijn van jezelf. Dat er veel eigenbelang bij zit.”