"De macht moet bij de sport liggen, niet bij de sponsors'

PARIJS, 3 JULI. Op de parkeerplaats van het kantoor van l'Equipe in het Parijse voorstadje Issy-les-Moulineaux schuifelt Jacques Goddet onopvallend naar een gereedstaande auto met chauffeur. De 87-jarige oud-hoofdredacteur heeft een van zijn schaarse bezoekjes gebracht aan de mensen die sinds zijn vertrek proberen de Tour de France staande te houden in de ruwe, gecommercialiseerde sportwereld. Zo af en toe laat hij nog zijn geweten spreken. Om ervoor te waarschuwen dat het kwaad te allen tijde op de loer ligt. Goddet mag dan net zijn lang verwachte - bijna overal uitverkochte - ultieme autobiografie hebben geschreven, de betrokkenheid van de oud-Tourdirecteur bij 's werelds grootste mobiele sportevenement zal tot zijn dood blijven bestaan.

Kort voor dit fascinerende tafereel had een van zijn opvolgers, Jean-Marie Leblanc (47), nog verklaard dat hij zijn vroegere directeur en mentor Goddet zelden meer zag. Diens behartenswaardige woorden zijn bij hem altijd welkom. Elf jaar lang had ex-profrenner en ex-wielerjournalist Leblanc als officiële Tour-speaker in de directie-auto naast Goddet de ronde mogen volgen. Mede door die opleiding voelde Leblanc zich vier jaar geleden - toen hij door directeur Courcol van de uitgeversgroep Amaury, waaronder de Société du Tour de France valt, werd gevraagd - geroepen de verregaande commercialisering en het gigantisme een halt toe te roepen. Leblanc wilde terug naar de sport, zoals Goddet die altijd had beleefd.

Aan commerciële en politieke invloeden valt niet te ontkomen. Daarvoor oefent de sport tegenwoordig in de samenleving een te grote aantrekkingskracht uit. Van recente datum zijn de onderhandelingen van de Tourdirectie met de politieke coalitie Herri Batasuna, die pleit voor een zelfstandig Baskenland. Leblanc had anderhalf jaar geleden niet kunnen voorzien dat de start van de Tour de France in San Sebastian bedreigd zou kunnen worden door Baskische acties. Hij was destijds tot een akkoord gekomen met de Baskische burgemeester van de stad. Maar omdat deze zes maanden geleden na de verkiezingen was vervangen door een man van de socialistische partij, vreesde HB dat de dagen rondom de Tourstart (van vandaag tot maandagmorgen) een te Spaans getint feest zouden worden. Daarom verlangden de Basken in een officieel communiqué aan de Tourdirectie de Baskische elementen te respecteren.

“De wensen waren niet onoverkomelijk”, verklaart Leblanc. “Wij zijn niet bang voor aanslagen. Zolang wij ons respect voor de Baskische gevoelens duidelijk maken bestaat er geen enkel gevaar, verzekerde Joseba Alvarez ons tijdens de onderhandelingen in Parijs. Zij zullen de Tour niet ontregelen, de renners zullen met rust worden gelaten. Alleen willen ze vrijdag 3 juli (vanavond, red.) een manifestatie houden. Maar, heeft HB toegezegd, op ten minste twee kilometer van de presentatie van de ploegen op de Aoneta-wielerbaan.”

Dan nog bestaat de kans dat de Baskische afscheidingsbeweging ETA of andere groeperingen dan wel individuen tot demonstratieve acties overgaan. Maar Leblanc zegt vertrouwen te hebben in een rustig verloop. Hij heeft er zijns insziens alles aan gedaan om gewelddadige acties te voorkomen.

Herri Batasuna verlangde van Leblanc dat de Tourdirectie uitdrukking geeft aan haar respect voor de Baskische elementen in de samenleving van San Sebastian. Officiële papieren moesten ook in de Baskische taal worden gedrukt, de omroepers bij de start, de aankomst en in de wedstrijd moesten zowel in het Baskisch (euzkera) als in het Spaans spreken, de spandoeken bij start en finish moesten in het Spaans én Baskisch, de Baskische vlag (ikkurina) moest naast de Spaanse op de officiële plaatsen hangen en tijdens Tourrecepties dienden alle gezinsleden van de HB-top uitgenodigd te worden. Besloten werd 29 juni (afgelopen maandag) in zes kranten van het Baskenland door middel van een advertentie van een halve pagina een groet van de Tour de France uit te brengen aan het tweetalige San Sebastian, bij wijze van geste aan de Basken.

De aanpassingen kosten de Tourdirectie extra geld. “Maar we moeten ten koste van alles vermijden dat er iets mis gaat”, beseft Leblanc. “De kleinste dingen kunnen als provocaties worden opgevat. We hebben door de hele stad pijlen: een groene voor de pers, een gele voor de organisatie etcetera. Die hangen dan onder elkaar. HB vond dat er geen gele en rose bordjes onder elkaar mochten hangen. Dat leek te veel op de Spaanse vlag. Die rose borden moesten weg. Er stond carburants op. Alleen om de Tour-auto's de weg naar een benzinepomp te wijzen.”

Leblanc werd tweeëneenhalf jaar geleden met een sterke kandidatuur voor een Tourstart in 1992 van Den Bosch en van San Sebastian verblijd. “In Baskenland wilden ze per se in 1992 een groot evenement. Sevilla heeft zijn wereldtentoonstelling, Madrid is de culturele hoofdstad van Europa, Barcelona heeft de Olympische Spelen en Benidorm en Valencia de wereldkampioenschappen wielrennen. En u weet van de Pyreneeën-etappes hoe gek de Basken van wielrennen zijn. We hadden voor dat jaar al kandidaten uit Nederland, België, Duitsland en Luxemburg. Als we die zouden samenvoegen in één Tour, zou dat een knipoog naar het verenigde Europa van 1992 kunnen zijn. Meer niet. Nee, van een ronde van de EG, langs hoofdsteden als Den Haag en Bonn, is nooit sprake geweest.”

De lange verplaatsing van Bordeaux naar Nogent-sur-Oise, ten noorden van Parijs, is volgens Leblanc niet het gevolg van de Europese veroveringsdrang van de Tourdirectie. “Transfers zijn er in elke Tour en onvermijdelijk.” Ook het vermijden van de Pyreneeën, voor het eerst sinds 1910, staat er los van. “Ik vind het gewoon onverantwoord onmiddellijk na de start de Pyreneeën in te rijden. Dat is de nekslag voor het koersverloop.” Volgend jaar blijft de Tour weer gewoon in Frankrijk. De Tour heeft die grensoverschrijdende trajecten niet nodig, zegt Leblanc. “Af en toe, om de Tour in de etalage te zetten, de wielersupporters in andere landen een kijkje in de Tour te gunnen.” Hij wil vóór 1995, zodra de Kanaaltunnel klaar is, voor het eerst sinds 1974 Engeland aandoen.

Leblanc zegt nooit uit commerciële overwegingen met het peloton het buitenland te zullen bezoeken. “Als Amerikaanse sponsors of de televisie vragen naar de Verenigde Staten te komen, zeggen we "nee'. Montreal was geïnteresseerd in een Tour-start. Los van alle logistieke problemen en risico's kunnen we dat de renners niet aan doen. De Tour moet in evenwicht blijven. Je kunt van sportmensen niet verlangen binnen 24 uur van de ene kant van de oceaan naar de andere te vliegen en daar onmiddellijk weer een prestatie neer te zetten. Daarom mogen we nooit ingaan op eisen van sponsors. De macht moet bij de sport liggen, niet bij de sponsors.”

De dalende interesse van het bedrijfsleven voor de wielersport is met name in Frankrijk voelbaar. Een knipoog naar het buitenland ligt voor de hand. Maar Leblanc wil de Tour Frans houden. Hij kan zich de gewijzigde voorkeur van potentiële sponsors voorstellen. “Als je als Crédit Lyonnais de gele trui sponsort, weet je zeker dat je elke dag wint. Maar als je een wielerploeg sponsort, weet je het nooit zeker. De salarissen van de renners liggen te hoog. Zannier van Z investeert 10 miljoen in een ploeg in de hoop dat ze met LeMond de Tour wint. En dat is wel bijna twee keer zoveel als Buckler met de ploeg van Raas. De wielersport kost te veel tegenwoordig.”

Het Tourbudget bedraagt dit jaar ongeveer 126 miljoen francs oftewel 40 miljoen gulden. Dat is een stijging van 11 procent vergeleken met vorig jaar. 58 Procent wordt gedekt door sponsoring (hoofdsponsors Crédit Lyonnais, Fiat en Coca Cola). Tv-rechten zorgen voor 26 procent, de laatste 16 procent is afkomstig van start- en aankomstrechten.

Leblanc verklaart de toenemende financiële problemen. Het Amerikaanse televisiekapitaal van de landelijke netwerken is bijvoorbeeld uitgeput. Na drie jaar ABC moet de Tour het met aanzienlijk minder geld van het Amerikaanse kabelsportnet ESPN doen. “Een paar jaar geleden moesten de ploegen nog 4100 francs (ruim 1300 gulden) entree betalen als financiële tegemoetkoming voor onder meer hotelkosten. Nu betalen ze niets. Maar het prijzengeld is wel weer verhoogd naar 10 miljoen francs (ruim 3 miljoen gulden). Ik zeg niet dat we nu weer geld moeten vragen aan de ploegen. Dat is te eenvoudig en niet de oplossing om het evenwicht te herstellen. Er wordt gesproken over landenploegen, zoals vroeger. Goddet riep dat in 1984 al eens: eenmaal in de vier jaar landenploegen. Alle macht naar de nationale bonden, die dan ook de sponsors werven. Dat zou een revolutie zijn en is niet onmiddellijk te realiseren. Maar misschien moeten we eens experimenteren, één jaar, kijken of sponsors daarin meer geïnteresseerd zijn.”

Het maximum van ploegsponsoring is bereikt, weet Leblanc. “Tien jaar geleden waren de prof renners proletariërs, nu verdienen ze gigantische salarissen. En dan nog wordt het prijzengeld opgetrokken. De renners hebben drie bronnen van inkomsten: salaris, prijzengeld en reclamecontracten met brillen-, schoenen- en helmenfirma's. Bij golf en tennis nota bene bestaat er geen salaris, alleen prijzengeld en reclame-inkomsten. Profrenners willen het horloge betaald hebben, maar ook het horlogebandje. De wielersport richt zichzelf ten gronde op deze manier.”

Sinds Leblanc met commercieel directeur Jean-Pierre Carenso aan het bewind is, heeft de Tour opmerkelijkerwijs geen dopingaffaires meer gehad. Vorig jaar werd de ronde opgeschrikt door de aftocht van de hele PDM-ploeg, als gevolg van een zogenaamde voedselvergiftiging. Leblanc: “De affaire heeft onze naam niet aangetast, wèl die van PDM. De waarheid heb ik nooit gehoord. Zeker in het begin is er gelogen. Ik veronderstel in een Tour de France met professionals te werken. Maar dat gold niet voor Gisbers, Krikke en Boyer met hun verhalen over gehaktsaus en slechte hotels. Ze hadden meteen open kaart moeten spelen, glasnost? Op de ploegleidersvergadering aan de vooravond van de Tour-start in San Sebastian zal ik alle ploegleiders waarschuwen: "Pas op, niet meer van dergelijke trucs. Openheid naar elkaar'. De ploeg weigeren? Nee, daar heb je alleen de renners mee. Nee, er past geen sanctie, ik kan niets bewijzen.”

Het laatste dopinggeval dateert van 1988: Gert-Jan Theunisse. “Misschien ben ik naïef”, bekent Leblanc, “maar ik kan me niet voorstellen dat er in de Tour veel doping wordt gebruikt. Je ziet toch niet meer van die renners met gewollen gezichten van de cortisonen en amfetaminen. Doping loopt terug in de wielersport, geloof ik”.

Leblanc refereert aan de brief die hij zojuist van professor Lafarge van het Parijse dopinglaboratorium heeft gekregen. Daarin stelt deze de beste logistieke methode voor om te vermijden dat een mogelijke positieve uitslag uitlekt, zoals bij Theunisse en Delgado. Onmiddellijk na afloop van de etappe worden de urine monsters naar Parijs vervoerd en 's nachts geanalyseerd. Binnen 16 uur wordt per fax naar de directie-wagen de uitslag aan de medisch inspecteur van de Tour meegedeeld. Niemand kan het eerder te weten komen. “Snelheid en vertrouwen”, zegt Leblanc. “Dopingcontroles worden gehumaniseerd. De controles worden niet langer in een caravan gehouden, maar in een groot motorhome met daarin een douche, een koelkast met drankjes, airconditioning, fax en telefoon.”

Als argument voor het gebruik van stimulerende middelen wordt altijd aangevoerd dat de Tour de France "onmenselijk' zwaar is. Leblanc wijst er op dat de Tour aanzienlijk lichter is geworden de laatste jaren. “Maar als er minder aankomsten op een bergtop zijn, minder tussensprints en kortere etappes krijg ik weer te horen dat de Tour veel te licht is. De organisatie heeft zijn verantwoordelijkheden jegens de renners. Er moet zo min mogelijk aanleiding zijn om doping te nemen.” Of hijzelf als profrenner (tussen 1966 en 1971) doping heeft genomen? Leblanc zegt er geen antwoord op te kunnen geven. “Maar ik ben wielrenner geweest en journalist. Ik weet wat er speelt. Herstel is fundamenteel.”

Mede daarom heeft de Tourdirectie de klaagzang van de renners over slechte hotels en beperkte maaltijden ter harte genomen. “Slapen in een school is voorbij. We hebben een hotelmanager aangenomen, een vrouw die voor een ploeg heeft gewerkt en dus het rennersmilieu kent. Zij garandeert dat elk hotel bij het ontbijt een uitgebreid buffet heeft voor de renners. Elke ploeg krijgt dezelfde behandeling. Als een ploeg vandaag een hotel met één ster heeft, krijgt hij er morgen een met drie. In Parijs aangekomen moet iedere ploeg gemiddeld 2,5 aan sterren hebben gehad. De renners moeten niet verwend worden, maar mogen wel comfort verlangen. Ik herinner me van een paar jaar geleden, toen ik nog journalist was, een Colombiaanse wielrenner die in een publieke cel naar huis stond te bellen. Met muntjes in zijn hand. Dat heb ik me erg aangetrokken.”

Dit jaar wilde de Tourdirectie al minder ploegen toelaten, volgend jaar zal het zeker gebeuren. Twintig teams is meer dan genoeg. “De ploegen die we vorig jaar een wildcard gaven, bestaan niet eens meer. Twee ploegen minder scheelt ten minste acht auto's in het peloton, op de parkeerplaatsen bij de start en in drie weken tijd elke dag een of twee hotels minder. Financieel is dat aantrekkelijk. Maar ook uit veiligheidsoverwegingen. Fignon heeft zich er wel eens over beklaagd dat het peloton te groot is. Het risico op valpartijen is te groot. Zeker nu in Frankrijk elke weg uitloopt in een rotonde.”

Het is Leblancs antwoord op het gigantisme dat ten tijde van zijn voorgangers Lévitan en Naquet-Radiguet de kop opstak. Meer dan duizend geaccrediteerde journalisten is onverantwoord. De duizenden op de flanken van Luz-Ardiden en Alpe d'Huez eigenlijk ook. Maar hij kan moeilijk toeschouwers het recht op hun sportspektakel ontzeggen. “Vorig jaar zat ik op Alpe d'Huez achter in onze auto achter een kopgroepje. Ik zag de mensenmassa naar voren dringen om de renners aan te raken, er waren geen dranghekken, de doorgang was nog maar een meter breed. Ik voelde dat we over voeten reden. Ik legde m'n hand op de schouder van de chauffeur en ik heb gebeden, ik heb gebeden totdat er eindelijk een dranghek kwam. Er had van alles kunnen gebeuren. Je ziet kinderen meehollen en vallen. En je kunt niks doen. Verschrikkelijk. Dan pas voel ik me als directeur van de Tour de France machteloos.”