Te veel Volt

Onder de titel "Te veel Volt is energieverlies' publiceerde W. Oosterbaan in W&O (11 juni) over de metingen die door het GEB in Den Haag worden uitgevoerd naar de feitelijke waarde van de netspanning. In dit artikel komt naar voren dat de netspanning aan de hoge kant is. Het Haagse GEB wil daarom de distributie beter gaan regelen. Maar aan dit verschijnsel zitten meer aspecten die de aandacht waard zijn.

Vooraf moet worden opgemerkt dat de in Den Haag gemeten spanningen geen uitzonderingen zijn. Ook op een aantal andere plaatsen in Nederland - maar niet overal! - is de netspanning eerder 230 Volt dan 220 Volt. Maar verrassender: de te hoge netspanningen zullen ook in de naaste toekomst waarschijnlijk niet omlaag gaan. Nederland heeft besloten zich aan te sluiten bij de EG richtlijn om de nominale netspanning overal tot 230 Volt gelijk te trekken.

Er kleven bezwaren aan de hoge netspanning en aan de EG plannen om deze situatie op langere termijn nog te versterken. De apparatuur die op het moment bij de consumenten in gebruik is, is niet gemaakt voor een netspanning van 230 Volt. De apparatuur wordt overbelast en de levensduur van de apparaten wordt korter. Voor gloeilampen wordt de gebruiksduur bij 10 Volt overspanning zelfs gehalveerd. In TL verlichting, motoren, verwarmingselementen in wasmachines en andere apparatuur treden hogere bedrijfstemperaturen en daarmee samenhangende verkorting van de technische levensduur op. Dit kan riskant zijn. Pas als alle oude apparatuur is vervangen door nieuwe apparaten voor 230 Volt is het gevaar van vervroegde uitval verdwenen.

Met de versnelde invoering van de toekomstige netspanning van 230 Volt gaat, naast een verhoogde uitval van apparatuur, ook een verhoging van het totale elektriciteitsgebruik gepaard. Een verhoging van de netspanning met 5% leidt in veel apparaten tot een vermogenstoename van 10%. De vermogenstoename kan ook veel groter zijn, tot 25%. Alleen bij een selecte groep van goede thermostaat geregelde en bij de betere moderne elektronische apparaten lukt het de vermogenstoename op 5% of minder te houden. Elk verhoogd verbruik kost extra brandstof en levert extra onderhouds- en vervangingskosten in de centrales op. Het gemiddelde gezin in Den Haag krijgt dan ook, door de meer dan 5% te hoge netspanning, een elektriciteitsrekening die jaarlijks bijna vijftig gulden hoger is dan normaal. Natuurlijk is ook afgezien van deze en andere kosten het extra energiegebruik op zich al ongewenst. In het kader van de Milieu-Actie-Plannen van de elektriciteitssector past dan ook geen netspanningsverhoging. De toename van het elektriciteitsverbruik door de spanningsverhoging wordt vaak gebagatelliseerd tot een tijdelijke verhoging van slechts een of twee procent. Het effect is in werkelijkheid enkele malen groter. Dit effect bestaat op een aantal plaatsen al enige tijd en duurt nog tot tien jaar na 2004, dus bestrijkt eerder 30 jaar dan 5 jaar.

Het thans in Den Haag uitgevoerde onderzoek moet worden toegejuicht. Het moet worden uitgebreid tot een landelijke opzet met grotere aandacht voor de gevolgen voor de eindgebruikers. Dan zal blijken dat verder doorzetten van het netspanningsverhogingsprogramma tot meer ongewenste effecten zal leiden dan aanvankelijk was ingeschat. Daarmee hebben we voldoende redenen om de EG-plannen voor een uniforme netspanning van 230 Volt in heroverweging te nemen.

We moeten daarbij ook bedenken dat het oorspronkelijke plan in 1967 is ontworpen, lang voor de energiecrisis van 1973 en die van 1979, en lang voor de onderkenning van het gevaar van het verhoogde broeikaseffect. Daarom zal ook de politiek nu kunnen inzien dat het zin heeft zo'n oud en onjuist besluit te herzien of op te schorten. Met de huidige techniek is het oorspronkelijke argument vóór dit besluit - dat gelijktrekken van de netspanning in de EG tot goedkopere consumentenapparatuur zou leiden - ook niet meer geldig: De nieuwste apparatuur werkt op alle netspanningen van 90 tot 260 Volt even goed.