Raffinaderijen kunnen milieu-eisen niet betalen; Gering rendement op investeringen dwingt tot lager tempo milieu-beleid

DEN HAAG, 2 JULI. “Over twintig jaar mag er geen industrie meer zijn die nog substantieel vervuilt”, zei beleidsambtenaar drs. Chris Dekkers dinsdag na afloop van een symposium in Den Haag. Het ging over een voor de Westeuropese en Nederlandse economie uiterst belangrijk onderwerp: milieunormen voor de raffinage-industrie.

Dekkers vertolkt het schone ideaal van minister Alders, vastgelegd in het Nationaal milieu-beleidsplan. Maar is dat eigenlijk wel haalbaar? Is het mogelijk in Nederland een duurzame economische groei te bereiken, waarbij een hoog exportniveau wordt gehandhaafd, met een industrie die niet meer substantieel vervuilt?

Technisch is die combinatie mogelijk, zo bleek op het symposium, maar economisch kan dat alleen wanneer de maximale normen voor uitstoot van vervuilende stoffen in en groot deel van de wereld gelijk worden getrokken. Daar is geen kijk op, maar zelfs binnen de Europese Gemeenschap blijkt het niet eenvoudig het milieubeleid te harmoniseren.

Nederland loopt binnen de EG voorop met zijn doelstellingen voor het milieu- en energiebeleid. Maar meer aansluiting bij de EG en andere landen is onontbeerlijk, want nationale plannen helpen weinig als het gaat om daadwerkelijke verandering, gezien het internationale karaker van de energie- en milieuproblemen.

Het ministerie van milieuhygiëne gaf dinsdag een goed voorbeeld, door een intensieve dialoog met de EG-partners en de Europese olie-industrie te organiseren. Hoofdthema was een drastische vermindering van de zwavel-emissies (SO2) van de Europese raffinaderijen en van het gehalte aan zwavel in de brandstoffen die ze produceren. Uitgaande van de Nederlandse normen, die de basis vormden van een studie door het bureau Arthur D. Little, zou de Europese raffinage-industrie tot het jaar 2000 in totaal 20 miljard dollar moeten investeren.

Het gaat hier om een uiterst belangrijke sector van het bedrijfsleven, niet alleen wegens de vitale betekenis van de energievoorziening, maar ook gezien de bijdrage die de raffinagesector levert aan het nationaal inkomen in de meeste lidstaten. Dat geldt in het bijzonder voor Nederland, waar rondom de Rotterdamse haven, de belangrijkste olie-doorvoerhaven van West-Europa, vijf raffinaderijen staan. Samen met de zesde raffinaderij, in Vlissingen, zorgen deze bedrijven voor ruim 20 miljard gulden produktiewaarde per jaar. Niet alleen nemen de raffinaderijen de hele nationale voorziening van oliebrandstoffen voor hun rekening, maar ook nog eens een kleine 10 procent van de totale Nederlandse export. Driekwart van de produktie in Nederland wordt in het buitenland verkocht. Een sector die kwestbaar is door de onberekenbare olieprijzen en vatbaar voor ernstige concurrentie van Golfstaten, die zelf hun raffinagecapaciteit drastisch willen opvoeren.

De studie van Arthur D. Little wijst uit dat het verstoken van oliebrandstoffen in West-Europa de helft van alle zwavelemissies in de EG veroorzaakt. Ontzwaveling naar Nederlandse normen zou dus een enorme bijdrage aan verbetering van het milieu leveren, namelijk vermindering van de emissies met 70 procent. Dat is technisch mogelijk, maar volstrekt onzeker blijft of de oliemaatschappijen de daarbij passende investeringen kunnen doen. Daarvoor zijn de marktvooruitzichten voor de afzet van schonere en duurdere brandstoffen te onzeker. De helft van de benodigde 20 miljard dollar zal geen of nauwelijks rendement opleveren.

Dit cruciale gegeven ondergraaft in belangrijke mate het Nederlandse ideaal. Weliswaar streeft "Brussel' er naar in 1993 de nieuwe richtlijnen voor zwavelemissies af te kondigen, maar ook de Gemeenschap kan geen ijzer met handen breken. Net als bij de ambitieuze plannen voor stabilisatie van de emissies van het broeikasgas kooldioxyde (CO2) dwingt de werkelijkheid tot een temporisering.

De conclusie van topambtenaar mr. Joris Al van Vrom dinsdagmiddag, dat de olie-industrie zich als waarnemer bij het onderzoek van Arthur D. Little aan de kern ervan heeft gecommitteerd, lijkt wat overmoedig. De kritiek was in elk geval niet mals. Namens de Europese organisatie van oliemaatschappijen Concawe zei ir. Cor van Paassen van Shell dat een aantal in de studie voorgestelde maatregelen economisch niet rendabel zijn of niet opwegen tegen het milieu-effect dat zou worden bereikt. Verlaging van het zwavelgehalte in bijvoorbeeld huisbrandolie en bunkerolie, de brandstof voor schepen, is zeer kostbaar maar levert slechts een geringe bijdrage aan een schoner milieu. De raffinaderijen moeten zeker een bijdrage leveren, aldus de Shell-man, maar daarvoor is meer studie nodig over het effect van elke technische maatregel.

Van Paassen wees ook op het veel hogere energieverbruik dat gepaard gaat met ontzwaveling, waardoor de vermindering van broeikasgassen als CO2 weer in het gedrang komt. In een evenwichtige aanpak van de zwavelvervuiling past ook een veel grotere aandacht voor andere bronnen van de verzuring, zoals de landbouw en de zwavel die uit Oost-Europa overwaait.

Al van Vrom erkende dat er meer gegevens nodig zijn. “Eerst moeten we het eens worden over de gegevens, dan is het de taak van politici de dilemma's op te lossen.” De Vierde Macht blijkt in dit soort cruciale vraagstukken toch minder machtig dan vaak is verondersteld.