Paleo-antropoloog Chris B. Stringer over de Neanderthaler: "Genetici kunnen nooit een uitgestorven zijtak onderzoeken'

Wat was de Neanderthaler voor een mens? Volgens Chris Stringer was hij robuust gebouwd en beschikte zeker over taal. Maar de moderne mens slaagde er toch in hem uit Europa te verdrijven. Waarschijnlijk door economische competitie.

"Als je Neanderthaler-skeletten bekijkt zie je een catalogus aan verwondingen. Het leven was voor hen extreem hard. Hun cultuur nam blijkbaar nog niet de stress van het leven af. Ze hadden een massief lichaam nodig om te overleven.'

Milford Wolpoff, hoogleraar aan de Universiteit van Michigan, opende onlangs een lezing met de volgende woorden: "Historically the British Museum has been responsible for many important advances in palaeoanthropology'. Meteen daarna liet hij een dia zien van de Piltdown-schedel, de bekendste vervalsing uit de geschiedenis van de palaeoantropologie.

De sneer was gericht aan het adres van de Brit Chris B. Stringer en het venijn karakteriseert de verhouding tussen de twee hoofdstromingen in het onderzoek naar de menselijke afstamming. Wolpoff en zijn medestanders verdedigen de multiregionale continuïteitstheorie: de moderne mens is ontstaan uit een geleidelijke overgang uit de archaïsche populaties van Homo erectus in Afrika, Azië en Europa.

Stringer, hoofd van de Human Origins Group in het British Museum (Natural History), is woordvoerder van de tegenstroom: het vervangingsmodel. Daarin zet onze soort, Homo sapiens sapiens, 100.000 jaar geleden komend uit Afrika, alle archaische populaties aan de kant. Een gesprek met Chris B. Stringer over paleo-antropologisch onderzoek en het lot van de Neanderthaler.

Voor de multiregionalisten is de moderne mens geleidelijk ontstaan uit een continue stroom van genen en ideeën tussen archaïsche populaties. Onze verre voorouder is volgens hen de Europese Homo erectus, onze directe de Neanderthaler. U vecht deze opvatting aan.

"Ja, ik denk dat zij zich vergissen. Vanaf 1.000.000 jaar geleden als Homo erectus uit Afrika vertrekt, is er geen constante uitwisseling van genen geweest, geen vermenging waaruit Homo sapiens sapiens ontstond. De groepjes jagers-verzamelaars waren daarvoor veel te dun gezaaid en op gezette tijden deden zich ingrijpende klimaatveranderingen voor die groepen eerder isoleerden dan ze met elkaar in contact brachten. Als die barrières weer vervielen, konden de groepen zich zodanig verder hebben ontwikkeld dat ze niets meer met elkaar te maken wilden hebben: andere gewoonten, ander uiterlijk. Dat verminderde de kans op vermenging. Kwamen groepen elkaar tegen dan kónden ze dat misschien nog wel maar de vraag is of ze het dan nog wilden. Ik denk dat die populaties zich inderdaad heel verschillend ontwikkelden, al bleven ze misschien vanuit biologisch oogpunt tot dezelfde soort behoren. Wat de Neanderthaler betreft: het feit dat je hem meer dan 200.000 jaar met zijn eigen kenmerken in de tijd kunt volgen is voor mij het bewijs dat hij zijn eigen geïsoleerde weg ging. Wellicht met een ietsje genen-uitwisseling hier en daar, maar hij bleef fundamenteel zichzelf. Evolutionair gezien maakt dat de Neanderthaler tot soort. En hij is onze voorouder niet. Hij stierf uit.'

Waar en wanneer werd Homo erectus Neanderthaler?

"Dat is een probleem. De Neanderthaler was een Europese en Voor-Aziatische aangelegenheid. Hij heeft zich ook nooit buiten dit gebied begeven. Maar het is moeilijk te zeggen wanneer die ontwikkeling begon. Het vroegste archeologische bewijs voor hominide aanwezigheid in Europa ligt in Isernia: 700.000 jaar oud. Het oudste hominide fossiel, een kaak van 500.000 jaar, komt uit Heidelberg. (De vondst van een oudere bovenkaak in de Kaukasus was ten tijde van dit interview alleen nog een gerucht; ThH.) Over de Europese primitief menselijke groep hebben voor de periode daarna gegevens uit vindplaatsen als Arago, Petralona en Bilzingsleben.'

"De kwestie is nu dat deze populatie al van Homo erectus verschilt. De hersens zijn gegroeid, de vorm van de schedel is veranderd, het gezicht steekt minder vooruit. Neem de vindplaats Bilzingsleben. Er wordt wel gezegd dat het hier om Homo erectus gaat maar volgens mij is dat al geen echte erectus meer. Ook nog geen Neanderthaler overigens, die trekken zijn nog nauwelijks ontwikkeld. Ik zeg hiermee niet dat Homo erectus nooit in Europa is geweest. Ik zeg alleen dat de resten die wij hebben hem niet representeren. Ze zijn jonger, meer geëvolueerd. Maar goed, rond 230.000 jaar geleden is de Neanderthaler wel in Europa gesetteld, denk ik. De fossielen van Ehringsdorf hebben duidelijke Neanderthaler kenmerken. Het is voor mij wel een vroege Neanderthaler, nog niet zo als de latere er uitzag.'

In het vervangingsmodel komt dan 130.000 jaar later vanuit Afrika de moderne mens, Homo sapiens sapiens, opzetten.

"Ja. De Skhul-Qafzeh groep in Israël, 100.000 jaar oud, vormt het eerste goede sample van de moderne mens buiten Afrika. Niemand moet denken dat ze precies op ons leken, daarna is er nog een hoop veranderd. Maar het zijn goede prototypen. Alle huidige rassen buiten Afrika: Aborigines, Chinezen, wij, zouden van een dergelijke groep kunnen afstammen.'

Homo sapiens sapiens zit dan ongeveer 30.000 jaar daarna al in Zuidoost Azië maar trekt 40.000-45.000 jaar geleden pas Europa binnen. Hoe verklaart U dat?

"Ik zeg meestal: andere zuidelijke routes naar het Oosten waren wellicht dun bevolkt en makkelijker te begaan, terwijl Europa het domein was van de inmiddels goed aangepaste Neanderthaler. Hij was in staat Homo sapiens sapiens buiten te houden. Die situatie veranderde waarschijnlijk pas nadat Homo sapiens sapiens de Aurignacien werktuig-industrie had ontwikkeld. Toen zette een instabiele warmere periode binnen een glaciaal de deur naar Europa open.'

Als hij eenmaal in Europa zit is volgens u het lot van de Neanderthaler bezegeld, zijn ondergang een kwestie van tijd. Waarom kon de Neanderthaler zich de nieuwkomers niet van het lijf houden? Daar zal toch wel meer aan te pas zijn gekomen dan de Aurignacien werktuigen.

"Homo sapiens sapiens, of de Cro Magnon mens want daarover hebben we het hier nu, moet ergens een enorme voorsprong hebben gehad. Als je Neanderthaler-skeletten bekijkt zie je een catalogus aan verwondingen. Voor hen was het leven extreem hard. Hun cultuur was blijkbaar nog niet in staat de stress van het leven af te nemen. Ze hadden echt een massief lichaam nodig om te kunnen overleven. Vergeleken met hen zijn wij, waren de Cro Magnon mensen, doetjes met dunne botten en nietige spieren.

"Maar kracht alleen is niet alles. De Skhul-Qafzeh groep al had die enorme robuustheid niet meer nodig. Kennelijk slaagde de cultuur van Homo sapiens sapiens waar die van de Neanderthaler faalde. Dan zoek je natuurlijk naar verschillen. In technologisch opzicht was de voorsprong, na de ontwikkeling van het Aurignacien, inderdaad niet zo groot. Maar hij was er. En dat betekende: betere bewapening en meer succes in de jacht. Combineer je dit met een groter aantal individuën en een betere organisatie dan zie je al een beetje hoe het proces op gang kan zijn gekomen. En je kunt archeologisch aantonen dat er verschillen bestonden tussen de Neanderthaler en de Cro Magnon mens. Over het algemeen had de eerste een veel kleinere impact op zijn verblijfplaatsen. De Cro Magnon mens bleef langer op één plaats en als je dat kunt heb je meer grip op je omgeving, kun je je beter handhaven.'

Welke rol heeft de ontwikkeling van taal hierbij gespeeld?

"Tja, ik zou zeggen dat dat waarschijnlijk een belangrijke factor is geweest. Maar dan niet in de zin dat onze soort wel een taal had en de Neanderthaler niet. Ik zal dat zo gauw niet zeggen. Ik bedoel: je moet de Neanderthaler wel een taal geven. Hij begroef zijn doden, ontwikkelde een technologie, wist extreme omstandigheden het hoofd te bieden. Dat is allemaal moeilijk voorstelbaar zonder taal. Fysiek lijken er weinig belemmeringen te zijn geweest. De Neanderthaler heeft stembanden gehad en een os hyoideum, een tongbeen. Dat is bijvoorbeeld bij een skelet uit Kebara aangetoond. Maar taal wordt in je hersens gemaakt. Wij worden geboren met in onze hersens een "programma' voor het maken van taal. Daarmee kun je de set woorden die je leert op een zinvolle manier rangschikken. Was ons programma beter dan dat van de Neanderthaler (als hij het had) dan hield dat voor hem een enorm nadeel in.

"En vergeet het geheugen niet. Wij bezitten een fenomenaal geheugen dat ons in staat stelt duizenden woorden te leren en te onthouden. Daarmee kun je een gecompliceerde technologie ontwikkelen, je omgeving gedetailleerd in kaart brengen en complexe verwantschapsrelaties onderhouden. Misschien was de Neanderthaler ook wat dat betreft in het nadeel. Dit soort factoren kunnen van belang zijn geweest maar ik weet niet hoe we dat zouden moeten testen. Het is speculatief en daarom ben ik er niet zo dol op.'

Uit vondsten blijkt dat Neanderthaler en Homo sapiens sapiens in Israël minstens 30.000 jaar naast elkaar leefden. Deze co-existentie werd met dateringen van vondsten uit Saint Césaire in Frankrijk ook voor Europa aangetoond. Hier gaat het om een periode van 10.000 jaar. Bovendien ontdekte men dat Neanderthalers 36.000 jaar terug werktuigen maakten die men voorheen, vanwege hun moderne karakter, aan de Cro Magnon mens toeschreef. Hoe staat het dan nu met de veel gehoorde opvatting over de abrupte verdwijning van de Neanderthaler?

"Zo zien we dat niet meer. Laat ik met die werktuigen beginnen. Sommigen stellen dat de cultuur van de Neanderthalers 60.000 jaar geleden al ging veranderen en dat die verbeteringen aan werktuigen een eigen ontwikkeling is. Je kunt deze modernisering ook anders interpreteren. Je kunt ook zeggen dat ze, na bijna 200.000 jaar weinig (zichtbare) beweging, gedwongen waren snelle culturele ontwikkelingen door te maken om te kunnen concurreren. Ze waren altijd alleen geweest en moesten ineens hun natuurlijke hulpbronnen met anderen gaan delen. Ik zou zeggen dat de verdwijning van de Neanderthalers het resultaat is geweest van een economische competitie. Ik denk niet dat ze werden opgejaagd en gedood. Nee, ze werden door economische competitie naar minder gunstige streken gedrongen, ze werden gemarginaliseerd. En toen in de Weichsel-ijstijd het klimaat opnieuw verslechterde zaten ze in de val. In gebrekkige omstandigheden, mogelijk nog geplaagd door nieuwe ziekten en altijd dwars gezeten door de steeds expanderende groepen Cro Magnon, slonk het aantal Neanderthalers langzaam tot er een niet meer levensvatbare populatie over was. Zubrow van de State University of New York presenteerde nog niet zo lang geleden een paper op een conferentie in Cambridge. Daarin beweerde hij dat een demografisch voordeel van 2% in sterftecijfers zou hebben geresulteerd in het uitsterven van de Neanderthalers in dertig generaties, dat is een kleine 1.000 jaar. Het verschil mag in werkelijkheid nog geringer zijn geweest want de hele tragedie duurde 10.000 jaar. 30.000 jaar geleden waren de Neanderthalers geschiedenis.'

De theorie van deze vervanging - en dat geldt ook voor het multiregionale model - werd door de traditionele paleo-antropologie gebouwd op waarnemingen aan kleine aantallen fossielen. Zet daar nog eens de variaties binnen soorten naast én het feit dat geen twee mensen die naar hetzelfde kijken met dezelfde conclusies komen en er doemt een fors methodologisch probleem op.

"Dat van die kleine aantallen kan ik niet ontkennen, De omvang van onze fossiele bewijzen is pathetic. We hebben in Europa de resten van een paar honderd Neanderthalers maar dat zijn bijna allemaal tanden. Het aantal complete of bijna complete skeletten beloopt net de twintig. Dan kun je niet pretenderen dat die de hele range aan Neanderthaler- variatie beslaan. Maar degenen die we hebben laten een consistente morfologie zien. Ik heb er alle vertrouwen in dat de kenmerken die ik zie werkelijk populatie kenmerken zijn. Ik denk niet dat we ondanks die kleine aantallen erg zijn misleid. Maar natuurlijk zou ik willen dat we meer hadden. Daarom is Atapuerca nu zo belangrijk. Daar zijn overblijfselen aangetroffen van twintig individuën van ongeveer 200.000 jaar oud. Elk deel van het skelet is aanwezig zodat we eindelijk eens kunnen achterhalen hoe deze schepsels er in die tijd uitzagen'.

"Voor wat die andere twee problemen betreft: ja, je begeeft je op glad ijs als je naar bijvoorbeeld een wenkbrauwboog kijkt en je zegt dat die groot of klein is. Dat is armzalige wetenschap maar helaas is het in het verleden zo gegaan. Ik meet schedels en kan mijn meetresultaten relateren aan een grote steekproef: William Howells database met gegevens van 2.500 moderne schedels. Mijn werk is dus gebaseerd op kennis van de variatie die je bij moderne mensen aantreft. Ik leg criteria aan en kan op basis daarvan zeggen dat de Neanderthaler statistisch compleet buten de range van moderne mensen valt, en de Cro Magnon mens en Skhul-Qafzeh groep er bnnen. Mijn onderzoek is herhaalbaar, de uitkomsten kunnen worden gecontroleerd. Met Howells' dataset en mijn criteria heb ik, anders gezegd, een poging gedaan de moderne mens te definiëren. Dat moet je wel want je kunt volgens mij niet over de evolutie en de moderne mens praten, zonder dat je weet wat een moderne mens precies is.'

Nog niet zolang geleden heette het dat, als je geen fossielen had, je niets over het verleden, over de menselijke afstammingslijn kon vertellen. Die situatie is veranderd. De interpretatie van fossielen heeft gezelschap, om niet te zeggen: concurrentie, gekregen van DNA-onderzoek. Hoe waardeert U de bezigheden van de biochemici?

"Vanuit veel en verschillend genetisch onderzoek komt steun voor de Afrikaanse herkomst van de moderne mens. Dat is een prettige situatie. Ik denk dat genetici de komende twintig jaar het roer zullen overnemen, simpelweg door de praktisch oneindige hoeveelheid materiaal die hen ter beschikking staat en door de vooruitgang van de techniek. We zullen worden overspoeld met genetische data en dat zal de positie van de fossielen aantasten. Maar nooit overbodig maken. Genetici werken vanuit de moderne mensen terug in het verleden, vanuit de overlevenden, vanuit de winners. Het verhaal van de menselijke evolutie is echter niet compleet zonder de zijtakken en de parallellen en degenen die uitstierven. Genetici zouden nooit hebben kunnen aantonen dat er mensen als de Neanderthalers in Europa rondliepen. Geen genetisch onderzoek zal ooit kunnen aantonen of Neanderthalers werktuigen konden maken en hoe die er dan uitzagen. Om deze redenen zullen fossielen én artefacten altijd belangrijk blijven'.