Opvolging Havel is strijd vol paradoxen; Slowaken willen federatie niet direct kwijt

PRAAG, 2 JULI. In de Tsjechoslowaakse hoofstad Praag begint morgen een van de meest paradoxale politieke procedures die deze federale staat kent: de verkiezing van een president door de twee kamers van het federale parlement, het Huis der Volkeren en het Huis der Naties, twee lichamen met elk 150 afgevaardigden.

Paradoxaal is die verkiezing in bijna alle opzichten: er zijn twee kandidaten, enerzijds de zittende president, Václav Havel, immens populair, geliefd en bewonderd in en buiten het land, anderzijds een uiterst rechtse gelegenheidskandidaat, de politiek volstrekt onbekende Juraj Cop, een ondernemer uit de Oostslowaakse stad Kosice. De eerste is partijloos, de tweede wordt alleen gesteund door de extreem-rechtse racistische Republikeinse partij, een partij die veertien afgevaardigden heeft en waarvan hij vice-voorzitter is.

Op het oog lijkt de keus voor de hand liggend, maar ze is dat allerminst. Om morgen in de eerste ronde te worden herkozen heeft Havel een drievijfde meerderheid nodig in beide kamers, dat wil zeggen 180 stemmen. De meeste van de Slowaakse afgevaardigden, voorop de 57 leden van de HZDS van verkiezingsoverwinnaar en nieuwe Slowaakse premier Vladimir Meciar, hebben aangekondigd dat zij Havel niet zullen steunen. De tegenkandidaat zal echter evenmin voldoende stemmen krijgen. En dat maakt een tweede ronde nodig, die binnen twee weken gehouden moet worden, en waarin dan een van de kandidaten genoeg heeft aan een eenvoudige meerderheid om de overwinning te behalen. Maar door de deels paritaire samenstelling van het parlement is het onzeker of Havel zo'n eenvoudige meerderheid kan krijgen. Behalve de Tsjechische regeringspartij ODS-KDS laten alle Tsjechische partijen hun afgevaardigden vrij om voor Havel te kiezen, of niet. Voor Havel zullen de christen-democraten, de Hongaren en de sociaal-democraten kiezen. De verwachting is dat in elk geval een deel van het Links Blok (waartoe de voormalige communisten behoren) en van de Liberaal-Sociale Unie tegen Havel zal stemmen.

Niet uitgesloten, zelfs zeer waarschijnlijk, is dus dat de ogenschijnlijk meest gevierde overwinnaar van het communistische verleden in deze tweede ronde niet herkozen zal worden als president. Dan zullen binnen twee weken nieuwe verkiezingen gehouden moeten worden, maar dan met andere kandidaten. Opnieuw geldt dan de regel dat in de eerste ronde een drievijfde meerderheid vereist is en in de tweede ronde een eenvoudige meerderheid volstaat. In de tussentijd kan de zittende president, Václav Havel dus, aanblijven met een maximum van drie maanden, dat wil zeggen tot 5 oktober. Als tegen die datum geen andere president is gekozen dan krijgt het parlement de uitvoerende macht.

Een andere paradox is natuurlijk dat de nieuwe federale president, als die althans wordt gevonden, waarschijnlijk slechts een zeer beperkte tijd aan de macht zal zijn. De federatie zal immers, als alles verloopt zoals het is afgesproken, tegen 30 september ophouden te bestaan, ja zelfs eerder al, wanneer, vermoedelijk in augustus, Slowakije zijn eigen grondwet zal aannemen. Op dat moment houdt de federatie de facto op te bestaan.

Maar tegelijkertijd zijn er allerlei manoeuvres om het desintegratieproces minder snel te laten verlopen dan op 20 juni is afgesproken tussen HZDS-leider Meciar en ODS-voorman Klaus. De nieuwe voorzitter van het Slowaakse parlement, Ivan Gasparovic, liet tijdens een vraaggesprek het woord “onafhankelijkheid” niet één keer vallan en zei te verwachten dat de twee republieken een gemeenschappelijke munt, douanetarieven en een gemeenschappelijke defensie zouden behouden. “We willen met de Tsjechische republiek in een soort van gemeenschappelijkheid leven”, zo zei de parlementsvoorzitter. En Meciar zelf liet vorige week nog eens weten “dat het niet nodig is om een in memoriam te schrijven voor Tsjechoslowakije”. En een andere vooraanstaande HZDS-politicus orakelde dezer dagen dat men wel politieke onafhankelijkheid wilde, ook naar buiten gericht, maar economische niet.

De Tsjechen verdenken de Slowaken ervan dat ze op die manier willen proberen om het moment dat de geldkraan in Praag wordt dichtgedraaid zo lang mogelijk uit te stellen. Vanwaar anders de klachten van de nieuwe Slowaakse regering dat haar voorganger, onder leiding van de christen-democraat Jan Carnogursky, zulke enorme tekorten heeft achtergelaten dat men strafrechtelijke stappen overweegt te nemen? Waarom anders de weigering van de Slowaakse televisie om nog langer nieuwsprogramma's door te geven aan de federale televisie, “wegens technische problemen”?

Het zijn allemaal tekenen van de toenemende irritatie tussen de Tsjechen en Slowaken die niet veel goeds voorspellen voor de toekomst. De Tsjechische schrijver Josef Skvorecky schreef in een “open brief aan de Slowaken” te hopen “dat er tussen onze twee volkeren geen onnodige bitterheid zal ontstaan”. Welnu, die is er al. Vooral ook omdat de Tsjechen het gevoel hebben gekregen dat de politiek, en met name de politiek van de Slowaken, ervoor heeft gezorgd dat Havel geen president meer zal zijn van de federale republiek Tsjechoslowakije. Schuld daarvoor wordt ook in de schoenen geschoven van Václav Klaus, de nieuwe Tsjechische premier. Hij heeft naar veler mening te veel concessies gedaan aan Meciar, waardoor die erin is geslaagd om veel verantwoordelijkheid voor het eventueel uiteenvallen van de federatie op Klaus te schuiven. “De Tsjechische coalitie”, zo schreef deze week het blad Lidové Noviny, “had in een veel vroeger stadium een ultimatum moeten stellen.”

Dan rest nog de laatste en misschien wel meest raadselachtige paradox van deze presidentsverkiezingen: de figuur van de president. Een man die tweeëneenhalf jaar geleden, na de Fluwelen Revolutie, zei: “In deze overgangsfase is er misschien behoefte aan symbolische vertegenwoordigers die geen politici zijn, maar die uitdrukking geven aan de hoop die onder de mensen leeft. Ik verwacht dat er snel een nieuwe, professionele politieke leiding zal komen, zodat ik naar mijn eigenlijke werk, het theater, terugkan”. Die in april 1992 bekendmaakte dat hij zijn kandidatuur voor een tweede ambtstermijn als president stelde. Die vervolgens, nog maar enkele weken geleden, in het parlement liet weten dat hij geen president van de rompstaat Tsjechië zou zijn. Maar die vorige week duidelijk maakte dat hij bereid is zijn diensten daar aan te bieden waar die worden gevraagd, dus ook als president van een Tsjechische republiek.

Havel heeft zelf ooit voor een dergelijke paradoxale houding gewaarschuwd. In zijn “Verhoor op afstand”, de autobiografie die hij in 1986 aan een vertrouweling heeft gedicteerd, zegt hij: “Zoals altijd zullen alle verwachtingen (...) waarmee men mij opzadelt me ergeren, net als alle rollen die mij opgedrongen worden, van de representatieve man tot en met de barmhartige Samaritaan; zoals altijd zal ik me tegen dit alles verzetten en met mijn recht op rust schermen - en zoals altijd zal ik ten slotte al deze plichten vervullen en er zelfs oprecht plezier aan beleven”.

Wat de verkiezingen van morgen dus nog voor onverwachte wendingen in petto hebben: de wereld zal Havel in elk geval terugzien, in welke rol dan ook.