Landbouwtechnologie

Wie de berichtgeving over de land- en tuinbouw enigszins volgt kan niet aan de indruk ontkomen dat er iets fundamenteels scheef zit in deze sector. We worden regelmatig geïnformeerd over met subsidie afgezette overschotten, dieronvriendelijke produktiemethodes en milieubelastende mestoverschotten aan de ene kant, en protesterende boeren aan de andere kant. "De landbouw gaat aan zijn eigen succes ten onder', is inmiddels een veelvuldig gebruikt cliché geworden.

In veel discussies over dergelijke zaken valt te beluisteren dat het toch op zijn minst óók de schuld is van de technologie en dat veel van de problemen snel zouden verminderen als we maar andere (of minder!) technieken zouden gebruiken. Het interview met Prof. Tuininga in deze krant (W&O van 11 juni) is een mooi voorbeeld van zo'n "technologiekritische' benadering van de problemen van de sector.

Tuininga gaat evenwel wat verder dan gebruikelijk door aan te geven dat technologie het produkt is van maatschappelijke processen en structuren. De problemen komen in zijn visie eerder voort uit gesloten structuren en eng gedefinieerde belangen dan uit "teveel' technologie. Zijn oplossing is dan ook: betrek meer groeperingen in de discussiefora over de toekomst van de landbouw en laat hen gezamenlijk nadenken over "ontwikkelingslijnen' en de daarbij behorende technologieën. Bij deze op zich sympathieke gedachte wil ik enkele kanttekeningen plaatsen.

De discussie gaat in de kern over ongewenste externe effecten van de produktiewijze in de moderne landbouw. Niemand wil immers hardop durven te beweren dat het de bedoeling is of is geweest (van wie dan ook) om teveel te produceren, of om het milieu meer te belasten dan het aan kan. Tegelijk worden de interne effecten hoog gewaardeerd: voldoende voedsel tegen een redelijke prijs bij voorbeeld. Oftewel, de land- en tuinbouw dient expliciet belangen die met recht van algemene aard kunnen worden genoemd, hoe "eng' dit algemene belang ook gedefinieerd mag zijn.

De ernst en de omvang van de externe effecten die de moderne produktiewijze met zich brengt zijn lang verscholen gebleven achter het succesverhaal van de Nederlandse landbouw. Dat dit tegenwoordig bepaald niet meer het geval is komt doordat de externe effecten zo groot zijn geworden en de aandacht ervoor sterk toegenomen is.

Het is evident dat bij het terugdringen van die externe effecten erg veel, en sterk verschillende belangen en opvattingen in het geding komen. Tuininga bepleit dat al de betrokken groeperingen gezamenlijk gaan broeden op een ontwikkelingsmodel voor de landbouw. Maar zo eenvoudig gaat dat natuurlijk niet. Ten eerste hebben consumenten, belastingbetalers, politici, tal van (andere) maatschappelijke organisaties en de beroepsgroep zèlf elk een eigen kijk op de toekomst van de landbouw.

Ten tweede zijn de betrokken groeperingen, voorzover georganiseerd, intern veelal allesbehalve eensluidend in hun visie, getuige ook Tuininga's relaas over de milieubeweging.

Ten derde is de landbouw niet vergelijkbaar met veel industriële sectoren in Nederland; in een bedrijfstak die bestaat uit zo'n 100.000 gezinsbedrijven is het nu eenmaal lastiger om het roer om te gooien dan in, bij voorbeeld, de elektriciteits- of de chemiesector met elk een klein aantal producenten.

En ten vierde kan de internationale politiek-economische context van de landbouwproduktie in Nederland niet over het hoofd worden gezien.

Dit alles is geen excuus om niks te hoeven doen, maar een pleidooi om het hoofd niet in de wolken te steken.