Japanners herkennen boosheid en verdriet bij mannen slecht

Emotionele gelaatsuitdrukkingen zijn tot op zekere hoogte in alle culturen gelijk. Verbazing is bij voorbeeld herkenbaar door de hoog opgetrokken wenkbrauwen en de opengevallen mond; woede door de strakke blik van de enigszins opengesperde ogen en de gefronste wenkbrauwen; verdriet door de afhangende mondhoeken en neergeslagen ogen.

De emotionele gelaatsexpressie wordt dan ook beschouwd als een universeel herkenbaar signaal, maar toch zijn er verschillen in de manier waarop in verschillende culturen gelaatsexpressies worden beoordeeld.

Dit blijkt uit het onderzoek van de Japanse psycholoog David Matsumoto (Journal of Cross Cultural Psychology, Vol. 33, nr 1, 1992). Hij liet eenenveertig Amerikaanse en vierenveertig Japanse studenten achtenveertig portretten zien. De helft van de afgebeelde personen was man, de andere helft vrouw. Evenzo bestond er een evenwicht tussen geportretteerden met een blanke huid of van Japanse origine. Op foto's keken de mensen boos, angstig, blij, verdrietig, verrast of walgend. De proefpersonen moesten beoordelen welke emotie de gezichtsuitdrukking uitbeeldde.

Het blijkt dat zowel voor de Japanse als de Amerikaanse studenten blijdschap het eenvoudigst te herkennen is en angst het moeilijkst. De verklaring hiervoor is dat bij het uitdrukken van blijdschap twee onafhankelijke spieren betrokken zijn en bij angst zeven. Het laatste patroon is daardoor complexer en moeilijker te herkennen.

Ook blijkt dat de Amerikaanse studenten over het algemeen beter in staat bleken negatieve emoties als kwaadheid, angst, verdriet en walging te herkennen. Het maakt daarbij geen verschil of de geportretteerde Japans of Amerikaans was. De Amerikanen benoemden de negatieve emoties in zeventig procent van de gevallen correct, terwijl de Japanners op iets meer dan vijftig procent bleven steken.

Bij het beoordelen van de positieve emotie blijdschap en de neutrale emotie verrassing, liepen de prestaties van de Japanners en de Amerikanen niet uiteen.

Matsumoto concludeert op grond hiervan dat de Japanners die in hun opvoeding geleerd hebben negatieve emoties niet te uiten, ook geleerd hebben ze niet te herkennen. Dit is een soort dubbele beveiliging, waardoor de groepssamenhang beschermd wordt. In het meer individualistisch ingestelde Amerika is het uiten van negatieve emotie minder gesanctioneerd en daardoor aarzelen de Amerikanen ook niet ze te herkennen.

De interpretatie van Matsumoto wordt gesteund door het feit dat Japanse studenten de gezichtsuitdrukkingen van vrouwen beter herkennen dan die van mannen, terwijl bij de Amerikanen een dergelijk beoordelingsverschil niet optrad. Dit verschil ontstaat doordat de Japanse cultuur vrouwen meer vrijheid laat bij het uiten van emoties.