Invectieven

Spinoza was wel een fenomeen, hoor. Je kon er niet omheen. Als je zelf iets betekende, moest je wel een houding tegenover hem bepalen. Hij leefde en werkte enigszins teruggetrokken, maar toch... van verre kwamen geleerden hem bezoeken en heel de intelligentia van Holland en de andere provincies sprak over hem. En na zijn dood werd de onderaardse invloed van zijn werk zo groot dat je je wel van hem publiekelijk moest distanciëren, wilde je niet voor een Spinozist worden aangezien.

De talloze kwalificaties, die Spinoza in de diverse reacties van uiteenlopende richtingen ten deel vielen, vormen bij elkaar een griezelige lijst van scheldwoorden of discriminerende benamingen. Het begon al in 1656 met de officiële excommunicatie uit de Amsterdamse synagoge: de banvloek muntte niet uit in vriendelijke woordkeuze en verweet hem "horribele ketterijen en praktijken'. Een Deense reiziger, Olaus Borch, tekende in 1661 in zijn dagboek op dat hij alom werd beschouwd als een "onbeschaamde atheïst'. Voorburgse gereformeerden beschreven hem in 1665 als een "schadelijck Instrument in deze republycque' omdat hij met alle religie zou spotten. In dezelfde tijd noemde Christiaan Huygens hem in een brief aan zijn broer neerbuigend: "die Israeliet'. Constantijn moest hem maar goed in de gaten houden want van zijn optische theorieën en praktijken viel nog wel wat te leren!

Toen de Tractatus Theologico-Politicus (1670) verschenen was, waren de remmen los. Vanwege dit "godslasterlycke' boek was de auteur vogelvrij voor de meest grove en onbehoorlijke tirades vanuit de kerkenraden, vanaf de preekstoel of in de vele refutaties, die van de persen rolden. De Leipziger professor in de theologie, Jacob Thomasius schreef onmiddellijk dat "ein neuer Hannibal' voor de poorten van het geloofsbolwerk stond, waartegen alle krachten moesten worden opgeroepen. Voor Maresius was Spinoza een "exjudaeus blasphemus', voor Musaeus een "fanaticus', voor Philippus van Limborch een "Sphinx', voor Joachim Oudaen een "Helhond'. Een zekere Adriaan Beverland noemde hem in 1679 "de neef van Lucianus' (de vrijpostige Griekse sofist) en betitelde hem ook nog eens als een "listige bedrieger' (vafer impostor), omdat hij het gewaagd had de heilige schrift met Orlando Furioso te vergelijken.

In zijn "Infelix literator' (op zich een typerende titel) wordt Spinoza door Th. Spizelius geschetst als de "meest goddeloze auteur' (irreligiosissimus author). Hoe verzint men het voor iemand die in het eerste deel van zijn Ethica het bestaan en de eigenschappen van God bewees? Het moet dus niet naar ieders smaak geweest zijn.

Voor de Rotterdamse professor Pierre Bayle, die geen enkel gebrek in Spinoza's gedrag kon opmerken, was hij een "deugdzame goddeloze', maar dan toch een "met de meest monsterlijke, absurde en irrationele hypothese die men maar kan bedenken'. De grote Boerhaave, die in zijn latere werken zo met Spinoza's grondbeginselen zou gaan sympathiseren, begon zijn schrijversloopbaan in 1690 met een weerlegging van de "wiskundige atheïst'. Christian Kortholt publiceerde in 1680 een boek onder de titel De Tribus Impostoribus (over de drie bedriegers) en betoogde in den brede dat Spinoza de ergste was in vergelijking met Herbert van Cherbury en Hobbes. In de Menagiana (1693) kon men lezen dat zijn gezicht zwart was en dat men er de verwerping (reprobation) van kon aflezen. Hij was dus al verdoemd voor het laatste oordeel was uitgesproken. In een Duits geschrift werd "de Jood en Atheïst, de vorst der atheïsten' afgebeeld als een serpent dat in zijn eigen staart bijt. Algemeen verbreid was ook het oordeel dat hij een "simulator', een veinzer was, die niet open en bloot voor zijn opvattingen uitkwam doch deze verhulde in een minder aanstotelijk kleed.

Het bovenstaande is slechts een selectie van de schier eindeloze reeks onvriendelijke aantijgingen, die tot diep in de achttiende eeuw doorzette. Zelfs David Hume voelde zich onder een zekere sociale druk nog geroepen daar een bijdrage aan te leveren door Spinoza's systeem afschuwelijk (hideous) en de ontwerper ervan infaam te noemen, terwijl hij er desalniettemin niet tegen opzag om zonder bronvermelding een groot deel van de Ethica te parafraseren.

Als één ding duidelijk wordt uit de manier waarop Spinoza aangeduid en besproken wordt, dan is het wel dat zijn radicale positie tegen heug en meug van de tijdgenoten inging en dat er nog heel wat in de tijdgeest moest veranderen alvorens men bereid was zijn nalatenschap ernstig te nemen en er zo mogelijk enige lering uit te trekken. Wie hem wel mocht, durfde en kon er niet voor uitkomen.

Spinoza heeft zich niet over zijn slechte imago kunnen verbazen. ""Wij bekommeren ons weinig om het gekef van het bijgeloof dat niemand meer haat dan wie echte wetenschap cultiveert en zich toelegt op een goed leven''.