Een rij van permanente noodgebouwen

De Rijksoverheid heeft zo sterk op de schoolgebouwen beknibbeld, dat de nieuwe scholen er tenslotte allemaal uitzien als noodketen. De winnaar van een prijsvraag bleek dan ook gebouwd te zijn met steun van de gemeente.

Scholenbouwprijs 1992, elf schoolvoorbeelden. Uitgave: ICS, Gouda. ƒ 49,50 in de boekwinkel. Te bestellen bij ICS voor ƒ 44,50, postgiro 3709736. ISBN 90 9005227 5

"Sinds gisteren weet ik dat ik in een onderwijspaleis werk', zegt de conciërge van het Haagse Johan de Witt College. Routineus werpt hij vanuit de conciërgeloge een blik over de grote centrale hal en de entree van de school. Niet veel te beleven, de kinderen zijn naar huis, boven wordt vergaderd over de rapportcijfers. Hij is wel tevreden met het gebouw, het is alleen wat warm in de zomer.

De roostermaker van de school, op de eerste verdieping, prijst zich gelukkig dat hij aan de koele kant van het gebouw zit. Hij heeft zelfs nog een eigen balkonnetje. ""Ach'', zegt hij, ""over smaak kun je altijd blijven twisten'', en hij gebaart naar het plafond, ""of ik die omgekeerde afwasteiltjes nu zo mooi kan vinden, ik geloof het niet''.

Het lijkt wel of ze verbaasd zijn dat uitgerekend hun school, het Johan de Witt College, is uitgeroepen tot de winnaar van de Scholenbouwprijs 1992. Is dat warme gebouw waarin ze werken dan echt zo bijzonder? De jury van de bouwprijs vindt van wel. Ze is, zo staat in haar rapport, ""zeer enthousiast over dit stoere en stedelijke schoolgebouw, dat een positief effect heeft op een monotone woonwijk met veel sociale problemen. Het gebouw op een podium straalt een trots en zelfbewustzijn uit die de leerlingen kunnen helpen om zich sterk in de maatschappij te manifesteren.''

Architect Jan Tennekes heeft aan de rand van de Haagse Schilderswijk een gebouw neergezet dat robuust en in alle eerlijkheid een school staat te wezen. Toch heeft het iets lichtvoetigs, en - wat belangrijk is voor de buurt - het is absoluut niet uit op machtsvertoon.

Dit keer was het echter niet de architect die in de prijzen viel, maar het bestuur van het Johan de Witt College. Vorige week mocht het van staatssecretaris J. Wallage een cheque van 20.000 gulden en een kunstwerk in ontvangst nemen. Twee eervolle vermeldingen, elk beloond met een bedrag van 2.500 gulden, gingen naar de Koninklijke Scholengemeenschap De Parken in Apeldoorn en het Bouwens van der Boijecollege in Panningen.

Meer verantwoordelijkheid

De Scholenbouwprijs is bedoeld voor schoolbesturen - leken dus, die meestal maar één keer in hun carrière te maken krijgen met zoiets ingrijpends als nieuwbouw van een school. Kans om ervaring op te doen is er nauwelijks. Bovendien zullen schoolbesturen in de nabije toekomst steeds meer verantwoordelijkheid krijgen: een zak met geld en een pakket aan regels. Na zich decennia lang met elk détail bemoeid te hebben en de geldkraan steeds verder dicht te hebben gedraaid, moedigt de overheid nu schoolbesturen aan om voor het laagst denkbare bedrag het mooiste en meest functionele schoolgebouw neer te zetten. Jammer dat de overheid zich die taak niet al jaren eerder heeft gesteld, vinden veel architecten, en zeker niet de minste onder hen. Want inmiddels is Nederland - voor een deel uit pure onmacht - volgebouwd met zeer middelmatige semi-permanente blokkendozen.

Onder de douche

""Dit is nu precies de lol van regeren'', roept een opgetogen staatsecretaris Wallage zijn gehoor toe. ""Op een ochtend onder de douche bedenk je dat er een Scholenbouwprijs moet komen en twee jaar later mag je hem zelf uitreiken.''

Er heerst een tevreden sfeer tijdens de prijsuitreiking: een veer hier en een compliment daar. En zo hoort het natuurlijk ook, want de prijswinnaars hebben goed werk verricht. In de hal van het ministerie is een bescheiden expositie ingericht over de scholen die hoge ogen hebben gegooid in deze wedkamp. Bij zoveel tevredenheid zou je bijna vergeten dat de juryleden naast een paar mooie scholen, vooral ook heel veel lelijke schoolgebouwen hebben gezien. ""De jury kon het snel eens worden, want een te groot deel van de inzendingen was ver onder de maat.''

Zonder veel omhaal zegt juryvoorzitter Gunnar Daan, hoogleraar bouwkunde aan de Technische Universiteit van Delft, hoe de vlag erbij hangt. Vanwaar dan toch die trots bij schoolbesturen om mee te dingen naar de prijs voor de mooiste school van Nederland?

Daan legt het uit in het voorwoord van het boek dat bij de wedstrijd hoort: ""(...) reeds na een eerste rondgang moesten wij met verbazing en teleurstelling gezamenlijk concluderen, dat die trots vaak vooral was ingegeven door het feit dat het plan tenminste gerealiseerd was. In een vrij groot deel van de plannen konden wij ook na zorgvuldige bestudering van onderscheiden facetten geen noemenswaardige architectonische kwaliteit ontdekken.''

Alle nieuwe scholen voor voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs die tussen 1 januari 1988 en 31 december 1991 zijn opgeleverd konden meedingen naar de Scholenbouwprijs. Niet alleen nieuwbouw, maar ook renovatie of een combinatie van beiden, als de stichtingskosten het half miljoen maar teboven gingen. Ruim tweehonderd scholen voldeden aan deze voorwaarden, en zij werden allemaal aangeschreven door het ICS, het Informatie & Advies Centrum Schoolaccomodaties in Gouda, dat de organisatie van de wedstrijd in handen had. Het ICS stelde tevens een onafhankelijke jury samen.

Tachtig scholen meldden zich aan en kregen van een informatiepakket toegestuurd. Daarvan hebben 46 schoolbesturen een inzending opgestuurd. De juryleden hebben een dertiental scholen geselecteerd, en na bezichtiging bleven er tenslotte elf genomineerden over.

De kritiek van de jury betreft niet zozeer de functionaliteit van de gebouwen, want die was meestal prima in orde: ""Functioneel bezien zijn de ingezonden schoolgebouwen van hoog niveau. De meeste scholen zijn opgezet als efficiënte, compacte onderwijsmachines met logische en heldere plattegronden, korte looplijnen en goed geoutilleerde les-, werk- en recreatieruimtes.''

Met de architectonische en stedebouwkundige uitwerking was men duidelijk minder tevreden: ""De architectuur van de hedendaagse school lijkt bedenkelijk veel op de cliché-architectuur van bedrijfsgebouwen aan de rand van de steden (...)''.

Modieuze liflafjes, veelkleurigheid (turquoise!) of pleisterwerk in pasteltinten mogen de jury al evenmin bekoren en van "coulissen-architectuur', die het van oorsprong saaie gebouw aan het oog moeten onttrekken, wil men helemaal niets weten.

Noodklok

In 1985 luidde architect J. van Tricht in een artikel in Architectuur en Bouwen de noodklok over de scholenbouw. ""Geen andere sector in het Nederlandse bouwen is als gemiddeld architectonisch resultaat zo inferieur van kwaliteit geworden als die van de scholenbouw. Terwijl juist dáár de jeugd opgroeit wordt hun de voorbeeldfunctie van goede architectuur onthouden.''

Van Tricht beschrijft hoe door een samenspel van onverschilligheid en bezuinigingen de architect als te duur terzijde wordt geschoven en de aannemers behendig dit gat in de markt opvullen: kies voor ons systeem en u bouwt snel en goedkoop uw schoolgebouw. Een architect is niet meer nodig. Van Tricht verwijt de overheid dat ze wel erg vlot heeft meegewerkt aan deze "aardverschuiving in de scholenbouwmarkt'. Is er sindsdien iets ten goede veranderd?

""Nee'', zegt Wiek Röling, hoogleraar bouwkunde in Delft, ""er heerst een grandioze culturele armoede op het gebied van scholenbouw''. Dat het onderwijs in een van de rijkste landen ter wereld genoegen moet nemen met het niveau van "tijdelijke keten', vindt hij ronduit schandelijk. ""We kiezen voor het permanente noodgebouw, en dat is een treurige keuze die we onze kinderen niet mogen aandoen.''

Van de huidige budgetten valt geen behoorlijke school te bouwen, weet Röling uit eigen ervaring. Zijn ronde basisschool De Zuiderpolder in Haarlem (1990), heeft zo geleden onder het gebrek aan geld dat hij bij de opening zijn vrienden en relaties niet durfde uit te nodigen. ""De budgetten zijn aanwijsbaar te laag'', zegt Röling, ""iedereen weet het en het ministerie geeft het zelf toe''. Hij weet talloze voorbeelden van sluikfinanciering, variërend van ouderbijdragen tot architecten die uit eigen zak bijleggen.

Dat verschillende architecten van naam - onder wie Jo Coenen en Herman Hertzberger - in het openbaar verklaren dat ze onder deze armoedige omstandigheden geen scholen meer willen bouwen, kan Röling zich goed voorstellen. Maar het versterkt wel de macht van de middelmatigheid. Als hij het boek over de Scholenbouwprijs doorbladert en achterin de advertenties ziet van de "Razendsnelle bouwers', veert hij overeind. ""Hier! Dit zijn ze dus, de firma's die de fabrieksscholen neerzetten voor de prijs die het ministerie er voor geeft. Ze hebben nette vertegenwoordigers met gladde pakken in dienst die de scholen afgaan en de besturen haarfijn uitleggen dat een ontworpen gebouw altijd duurder is.''

In het nieuwste jaarboek "Architectuur in Nederland' wordt onder de kop "Dorre standaard tegen geslepen creativiteit' uitgebreid aandacht besteed aan de stand van zaken in de scholenbouw. Het gaat hier uitsluitend over de architectuur van basisscholen. Daar is sinds enige tijd sprake van een nieuw élan, maar, zo moet ook Ton Verstegen in zijn bijdrage constateren, ""de budgetten hebben een punt bereikt waarop architecten zich afvragen of ze nog wel opdrachten in dit genre moeten aannemen''.

Monumentaal gebouw

De opgeleefde belangstelling van de architectuur voor de basisschool - of andersom: van de basisschool voor de architectuur - heeft ongetwijfeld van alles te maken met het veranderde pedagogische klimaat en de wil van scholen om die verandering in het bouwprogramma tot uitdrukking te brengen. Het samengaan van kleuter- en lager onderwijs, maar ook de wens om in kleinere groepjes te werken en - met de komst van allochtone leerlingen - de noodzaak om kinderen apart te nemen en extra aandacht te geven.

""De basisschool van nu lijkt in niets meer op het strenge monumentale gebouw met hoge ramen en hol klinkende gangen van de ouderwetse school, een typisch produkt van de negentiende eeuw met haar obsessie voor discipline en kennis'', schrijft Verstegen. ""Het schoolbord was de ideale uitvinding om de kinderen met een pedagogisch alibi strak in het gelid te kunnen zetten.''

Via de openluchtschool van Duiker en de Amsterdamse Montessorischolen van Hertzberger komt Verstegen uit bij de Zuiderpolderschool van Wiek Röling: ""De ronde vorm is het goedkoopste want hij geeft het grootste volume met de kortste buitengevel (...)''.

Hij eindigt in Almere bij de school die Hertzberger maakte voor de BouwRai '92, een ontwerp waar de architect teruggrijpt op het aloude concept van de gangenschool met lokalen aan weerszijde. ""Is men bezig met architectonische uitvindingen of met het verbloemen van de armoede?'', is de kwellende vraag die Verstegen aan het eind van zijn beschouwing stelt.

De architectonische belangstelling die de basisscholen ten deel valt, moet het voortgezet- en beroepsonderwijs vrijwel geheel ontberen. Althans, tot vorige week, toen de Scholenbouwprijs werd uitgereikt, want het is natuurlijk de bedoeling dat deze wedstrijd wat leven in de brouwerij gaat brengen. In de archieven en kaartenbakken bestaat het onderwerp gewoon niet, een enkele hartekreet, zoals die van Van Tricht, daargelaten. De invoering van de Mammoetwet, eind jaren zestig, heeft in deze sector geen nieuw bouwélan teweeggebracht.

De verklaring is misschien dat de Mammoetwet een hergroepering van schoolsoorten tot stand bracht, maar geen nieuwe manier van lesgeven. De leerlingen bleven elk uur massaal van klaslokaal naar klaslokaal stromen en hun blik bleef onveranderd gericht op de leraar en het schoolbord. Pas de laatste tijd is daarin voorzichtig verandering aan het komen. Er wordt vaker in kleine groepjes gewerkt en ook in het voortgezet onderwijs worden leerlingen met een leerachterstand apart geholpen. Steeds meer scholen bieden huiswerkbegeleiding en hulplessen aan, waarvoor aparte ruimtes nodig zijn. Met het groter worden van de scholen komt er bovendien meer oog voor kleinschalige afdelingen, want iedereen het: ouders zijn als de dood voor massaliteit. En volgend jaar komt de basisvorming eraan met nieuwe vakken als techniek en verzorging.

Een andere belangrijke ontwikkeling die wel eens vergaande gevolgen voor de scholenbouw zou kunnen hebben, is dat scholen door een teruglopende clientèle gedwongen worden met een uitgesproken identiteit naar buiten te treden en zich te onderscheiden van andere scholen. Dat een bijzondere pedagogische missie meestal ook tot uitdrukking komt in de vormgeving en inrichting van het schoolgebouw, hebben Montessorischolen, Daltonscholen en in een extreme vorm ook de Vrije Scholen al decennia lang laten zien.

Volgens de juryvoorzitter van de Scholenbouwprijs, Gunnar Daan, zit het probleem dan ook niet zozeer in de financiële hoek - ""onder alle economische omstandigheden is het mogelijk om goede architectuur te maken, desnoods bouw je een primitieve hut'' - maar veeleer bij de opdrachtgevers, de schoolbesturen. Hun is stelselmatig het roer uit handen genomen door een overheid die alles te zeggen wilde hebben over het budget, de locatie, het bouwprogramma en zelfs de architectenkeuze wilde bepalen. ""Je mocht als opdrachtgever kiezen uit drie schoolmeubelfirma's, dat soort regels zijn toch fnuikend voor het enthousiasme'', zegt Daan.

Gegalvaniseerd hekwerk

De opdrachtgever moet zich weer machtig gaan voelen, vindt hij. ""Als een schoolbestuur liever mooie stoelen wil dan gegalvaniseerd hekwerk, dan moet het daar zelf over kunnen beslissen.''

Schoolbesturen moeten zich dan ook minder onnozel gaan gedragen, vindt de juryvoorzitter. Ze moeten zich goed oriënteren en niet de eerste de beste aannemer uit een scholenblaadje nemen, of de neef van de natuurkundeleraar die toevallig architect is aan het werk zetten. ""Wij hebben als jury twee dagen in een bus door Nederland gereden en toen hadden we een redelijk overzicht van wat er zoal gebouwd wordt in het voortgezet onderwijs.''

Het boek "Scholenbouwprijs 1992, elf schoolvoorbeelden' dat door het ICS is uitgegeven, moet volgens Daan vanaf nu bij elk schoolbestuur dat alleen al dénkt aan nieuwbouw op tafel liggen. Niet omdat die elf genomineerde scholen allemaal toonbeelden zijn van architectonisch vernuft, maar wel omdat het schoolgebouwen zijn waar in elk geval over nagedacht is. Of, zoals Wiek Röling het uitdrukt: ""Een leuk schoolgebouw kan je je hele verdere leven doen verlangen naar leuke architectuur''.

Staatssecretaris Wallage was verstandig genoeg om enig schuldbesef te tonen als het om de bekostiging van schoolgebouwen gaat. ""Ik geef toe dat het niet simpel is om met dit bedrag uit te komen. Het is krap en scherp afgesteld, maar deze wedstrijd laat zien dat het kennelijk mogelijk is, ook al wil ik daarmee niet zeggen dat iedereen het moet kunnen.'' Vervelend voor Wallage is alleen dat uitgerekend het prijswinnende schoolgebouw wat dat betreft een slecht voorbeeld is.

Op het Johan de Witt College bevestigt plaatsvervangend rector G. Donker dat het bedrag waarvoor zijn school is gebouwd het budget van het ministerie ruimschoots heeft overschreden. Dat kon omdat de gemeente Den Haag bereid was bij te springen. Zowel de wijk als de school worden grotendeels door migranten bevolkt, legt Donkers uit. ""Dit zijn buurten waar de autochtone Nederlander zijn neus voor optrekt. Wij vinden het belangrijk dat kinderen die thuis weinig ruimte hebben naar een gebouw gaan dat licht en helder is.''

We lopen door een uitgestorven school met witte muren, witte deuren en kraakheldere witte wc-ruimtes. ""We zitten er nu anderhalf jaar in'', zegt Donker, ""nergens zie je graffiti, nog geen krasje zie je op de deuren. Dat is ons opvoedkundig idee: je zit in een gebouw waar je zuinig op moet zijn.'' Een echt onderwijspaleis.