Een onstuitbare moordbij

Killer bees. The Africanized honey bee in the Americas. Door Mark L. Winston. Cambridge, Mass., Harvard University Press 1992. xiii + 162 blz. Prijs: $ 55,75. ISBN 0 674 50352.

In 1986 trok Inn Siang Ooi, een student botanie van de Universiteit van Miami, over een heuvelrug in Costa Rica. Hij klauterde op een rots en betrad daarmee het territorium van een kolonie bijen. De insekten reageerden in een massale uitbarsting van agressie. In luttele seconden gingen ze ten aanval en omzwermden ze Oois lichaam. De heuvel was steil, vluchten kon niet meer. Ooi raakte in paniek en viel.

Er waren mensen in de buurt die wilden helpen. Maar veel uitrichten konden ze niet. Drie te hulp snellende omstanders kwamen te dichtbij, liepen te veel steken op en raakten bewusteloos. Pas na het invallen van de duisternis, toen de bijen waren teruggekeerd op hun nest, slaagde men erin om het lichaam van Ooi te bergen. Lijkschouwing wees uit dat de student niet minder dan 8000 bijesteken had opgelopen, een gemiddelde van zeven steken per vierkante centimeter lichaamsoppervlak. De meeste mensen overleven slechts vijf à tien bijesteken.

De dood van Ooi is een van de talrijke dodelijke incidenten met de zogeheten geafrikaniseerde honingbij of, zoals hij doorgaans wordt genoemd, killer bee in Zuid- en Midden-Amerika. Dit tropische, ongewoon agressieve bijenras heeft in enkele decennia tijd praktisch het hele Zuidamerikaanse continent veroverd en er de bijenteelt ingrijpend verstoord. De komende paar jaar valt de invasie van het zuiden van de Verenigde Staten te verwachten. Wanneer niet adequaat op de kolonisator wordt gereageerd, zullen ook daar de honingproductie en de bijenteelt flinke klappen oplopen.

Tropisch ras

De sensationele invasie van de killer bee, een tropisch ras van de gewone honingbij Apis mellifera, is volledig aan de mens te wijten. Tot in het midden van de jaren vijftig kwam hij op het hele westelijk halfrond niet voor. "Gewone' honingbijen oorspronkelijk trouwens ook niet: die werden pas door de mens op het Amerikaanse continent voor honingproductie geïntroduceerd.

De bakermat van de honingbijen ligt in tropisch Azië, waar ook de meeste soorten worden aangetroffen. De ons vertrouwde soort Apis mellifera heeft als verspreidingsgebied Europa en Afrika. De Afrikaanse rassen verschillen zowel in fysiologie als in gedrag van de "gematigde' Europese.

In de jaren veertig en vijftig deden er onder bijenkwekers verhalen de ronde als zouden de Afrikaanse rassen per kolonie veel meer honing produceren. Jaarlijkse gemiddelden van 70 kilo zouden geen uitzondering zijn. De Braziliaanse geneticus Warwick Kerr raakte geïntrigeerd door deze verhalen en nam zich voor om door een kruisingsprogramma met Europese bijen een ras te kweken dat beter geschikt zou zijn voor de imkerij in een Zuidamerikaanse omgeving. De in Brazilië gebruikte Europese rassen bleken in het tropische klimaat maar matig te voldoen.

Kerr reisde naar Zuid-Afrika en verzamelde daar meer dan honderd bijenkoninginnen. Daarvan werden er in 1956 54 geïntroduceerd in Braziliaanse kolonies en 35 verder geselecteerd voor een kweekprogramma. Het waren inderdaad de meest productieve kolonies die Kerr ooit had gezien.

In 1957 werden de kolonies voor onderzoek overgebracht naar een eucalyptusbos bij São Paulo. Om verspreiding in het wild te voorkomen werden horren aangebracht waar wel de werkers, maar niet de koninginnen doorheen konden. Op die manier werd voorkomen dat de kolonies uitzwermden en zich vermenigvuldigden.

Maar op een kwade dag verwijderde een plaatselijke imker deze horren bij vergissing, waardoor 26 kolonies de biezen pakten en uitzwermden richting tropisch regenwoud. Zo kwamen de genen van 25 bijenkoninginen uit de Zuidafrikaanse Transvaalprovincie en één uit Tanzania terecht in het wild van Zuid-Amerika. Mogelijk ontsnapten nog meer Afrikaanse koninginnen via moedwillige verspreiding door Braziliaanse imkers.

De onbedoelde vrijlating vormde het beginpunt van een spectaculaire invasie die inmiddels het grootste deel van Zuid-Amerika, geheel Midden-Amerika en het uiterste Zuiden van de Verenigde Staten bestrijkt. Het "bijenfront' verplaatste zich met een duizelingwekkende snelheid van 300 tot 500 kilometer per jaar. In vijftien jaar tijd annexeerde de killer bee het hele Amazonegebied, in 1982 was hij opgerukt tot Panama, dit jaar staat hij al in Louisiana en over een jaar of vijf zal hij naar men vreest een derde van de Verenigde Staten hebben veroverd. Volgens conservatieve schattingen bedraagt het aantal nesten alleen al in Latijns-Amerika 50 tot 100 miljoen.

Wegdrukken

De Canadese bijendeskundige Mark Winston is sinds 1976 intensief bij het onderzoek naar het succes van de Afrikaanse killer bee betrokken. Winston is ook een begenadigd auteur: in 1987 maakte hij naam met de publicatie van een even toegankelijk als fascinerend overzicht, The biology of the honey bee (Harvard University Press 1987). Zijn nieuwe monografie over de killer bee doet in helderheid en leesbaarheid nauwelijks voor dit kleine meesterwerk onder. Het boekje lijkt vooral te zijn geschreven voor biologen, imkers en beleidsmakers, maar is, als kijkje in de wondere keuken van de bijenindustrie, evenzeer de moeite waard voor de algemene lezer. In nauwelijks 150 bladzijden schetst Winston de opkomst, de fysiologie en het gedrag van de killer bee, diens invloed op de bijenteelt en de landbouw, èn de wijze waarop men het best op zijn onstuitbare opmars kan reageren.

Uit al het verrichte onderzoek blijkt, dat de killer bee niet of nauwelijks verschilt van zijn voorouders in Afrika. De "Europese' bijen waarmee men in Latijns-Amerika honing kweekte, lieten zich door de nieuweling geheel wegdrukken: kruising en hybridisatie kwamen nauwelijks voor.

De oorzaak hiervan is dat de killer bee, veel beter dan zijn Europese bloedverwant, optimaal is aangepast aan het tropisch klimaat. Afrikaanse bijen zijn actiever en kleiner, bouwen kleinere nesten, investeren minder energie in honingproductie (omdat ze niet hoeven te overwinteren) en zwermen vaker uit om dochterkolonies te stichten. Ook vertrekken ze veel sneller met de noorderzon om zich elders te vestigen, met achterlating van een leeg nest zonder oude koningin.

Het extreem agressieve gedrag dat de killer bees soms vertonen - een massaal aanvallen op de geringste provocatie - hangt samen met hun dynamische en mobiele levenswijze. Omdat hun nesten zich, in tegenstelling tot die van de gematigde Europese bijen, meestal niet in holten bevinden, zijn ze minder goed beschermd tegen predatoren zoals mieren, beren en mensen. Als gevolg daarvan ontwikkelden ze een agressiever levenswijze dan hun Europese verwanten.

De killer bees bezorgen de bevolking zeker overlast, maar de omvang wordt als gevolg van opgeklopte persverhalen vaak sterk overdreven. De meeste steekincidenten met dodelijke afloop gebeuren doorgaans kort na aankomst van de invasiegolf. De bevolking is dan nog niet op de killer bees gespitst en weet nog niet dat je de nesten beter met rust kan laten. Maar zelfs dan is het risico nog niet bijzonder groot: in Venezuela, waar de beste statistieken voorhanden zijn, lieten tussen 1975 en 1988 ongeveer 350 mensen door steken van de killer bee het leven, hetgeen neerkomt op slechts 2,1 gevallen per jaar per miljoen inwoners. Door publiekseducatie en aanpassing van de werkwijze van bijenhouders is de incidentie in die veertien jaar sterk gedaald: in 1978 werden nog bijna honderd dodelijke gevallen gerapporteerd, in 1985 nog maar twintig.

Veel ernstiger is het probleem voor de bijenkwekers zelf. De killer bees zijn door hun agressief gedrag maar moeilijk te benaderen en de imkers zijn gedwongen om hun kasten te verplaatsen naar plekken uit de buurt van woningen en de openbare weg. Ook moeten ze, ter bescherming van zichzelf, hun werkzaamheden zo snel mogelijk uitvoeren, in ongemakkelijke lagen dikke beschermende kledij.

Bijenhouden is op deze manier nog steeds wel mogelijk, maar vervelend is dat de kolonies op elk moment onaangekondigd hun biezen kunnen pakken. Omdat de bijenteelt in Zuid- en Midden-Amerika zich dicht bij het bestaansminimum beweegt, wisten alleen de grotere bijenhouders hun nering met succes voort te zetten. Voor de meeste amateur-imkers is de lol er al lang af. Zij moesten hun hobby eraan geven.

In een jaar of vijf zal moeten blijken op welke breedtegraad de invasie van de killer bee tot staan komt. De verwachting is, dat hij het in het noordelijk deel van de Verenigde Staten en Canada tegen zijn Europese soortgenoten zal moeten afleggen. Maar hoe ver hij het Noord-Amerikaanse continent precies zal penetreren, weet niemand. Vast staat wel dat hij, als de bijentelers niet adequaat reageren, een groot probleem zal vormen - niet alleen voor de bijenteelt, maar ook voor de landbouw, die voor een belangrijk deel van de bestuiving door bijen afhankelijk is.

Ervaringen in Midden-Amerika hebben inmiddels uitgewezen dat het opwerpen van barrières in welke vorm dan ook, niet mogelijk is. De "geafrikaniseerde' bij is eenvoudigweg niet te stuiten. Volgens Winston moeten de imkers op het Noord-Amerikaanse continent zich erbij neerleggen dat zij in dit decennium met de killer bee te maken krijgen en is de enige respons om er maar het beste van te maken.

In het wild laat de killer bee zich niet tegenhouden, maar het moet wel mogelijk zijn om de bijenteelt "Europees' te houden door bijvoorbeeld indoor overwintering van kolonies en gecontroleerde kweek van koninginnen.

In Canada, dat het noordelijkst ligt en dus het minst van de killer bees heeft te duchten, hebben de imkers de handen ineen geslagen en maatregelen genomen die hun industrietak moeten beschermen. In de Verenigde Staten, waar de bijentelers onderling verdeeld zijn en de diverse overheden langs elkaar heen werken, zijn de vooruitzichten aanmerkelijk slechter. Het Amerikaanse ministerie van Landbouw voorspelde in 1984 alleen al voor de bijenteelt een jaarlijks verlies van 26 tot 58 miljoen dollar (20-45% van de winst) en 93 miljoen dollar schade door verlies aan gewassen als gevolg van verminderde bestuiving. Dat zijn cijfers in dollars uit 1984, aannemend dat maatregelen uitblijven.

De komende vijf jaar zal moeten blijken of de Amerikaanse bijentelers in staat zijn om het Afrikaanse gevaar te bezweren en hoe de plaag tegemoet wordt getreden door een rijk, ontwikkeld land.