De mensen

Tante, Atje en Lin, de mensen die mijn vader hebben opgevoed, mijn aangenomen grootouders. In 1987 heb ik een boek over ze geschreven en dat was een goed boek, zoals ze in dat boek staan, zo waren ze.

Ik dacht nog vaak aan ze. Dat wil zeggen, vaak dacht ik helemaal niets of totaal ergens anders aan, en dan wáren ze er opeens. Met een half woord of een terloops gebaar brachten ze me in herinnering wat ze in mijn leven gedaan hadden. Ook in mijn dromen zag ik ze geregeld terug en dat was fijn, het waren fijne mensen om terug te zien.

Na dat boek was het afgelopen. Dat wil zeggen, als ik aan ze wou denken, dacht ik nog steeds aan ze, maar dat spontane, blijmakende opduiken uit het onderbewuste was afgelopen.

Dit bedoel ik als ik zeg: schrijven is vergeten. Dat wat je schrijft vervangt het geheugen, je herinneringen verhuizen van het hoofd naar de boekenkast. Dat is de prijs die je betaalt, dat doet je aarzelen als je je afvraagt of je er wel genoeg voor terugkrijgt.

Later schoot me te binnen dat ik had verzuimd te beschrijven hoe Atje koffie dronk. Daar schrok ik van, zonder zijn manier van koffiedrinken was Atje niet compleet. Geleidelijk veranderde dit verzuim echter in een geluk, een aanknopingspunt voor nieuwe herinneringen. Maar ik moet toegeven dat ik ook weleens denk: een aanknopingspunt om nog eens over ze te schrijven.