Cynisme en nationalisme maken Rusland explosief; Een jaar geleden waren de politieke frontlinies net iets helderder dan nu; Jeltsin werd de synthese van "Slavofielen' en "Westerlingen'

Het schema is bekend. Precies zoals vorig jaar toen de Sovjet-Unie nog bestond, zijn het in Rusland wederom de good guys die de prille democratie uit de klauwen van de bad guys moeten redden. In 1991 waren het mensen als (ex-)minister van buitenlandse zaken Edoeard Sjevardnadze en oppositieleider Boris Jeltsin die de heldenrol vervulden, omdat Michail Gorbatsjov, de president van het land, aan het zwalken was geslagen. Nu zijn het Andrej Kozyrev (minister van buitenlandse zaken) of voormalig vice-premier Sergej Sjachrai, en heet de president der natie, de man in het centrum om wie het gevecht uiteindelijk wordt geleverd, paradoxaal genoeg Boris Jeltsin.

De namen van de "goeden' spreken nu internationaal wellicht wat minder tot de verbeelding, hun kwaadaardige tegenstanders zijn niettemin dezelfden gebleven. De adjectieven en het kleurenpalet mogen dan wat verschillen, ook de huidige tegenstander heet: hèt apparaat, dè chauvinistische communisten, kortom, dè conservatieve krachten die met huid en haar zijn verbonden met het "militair industrieel complex'.

Zelfs de entourage is identiek. Toen werden er in de Baltische landen, bij wijze van generale repetitie voor de rest van de natie, pogingen gedaan de klok terug te draaien terwijl de rest van de wereld bezig was met een Golfoorlog. Thans escaleren de burgeroorlogen in Moldavië en de Kaukasus, eveneens een voorbode voor een eventueel ophanden zijnde militarisering van de rest van de samenleving, terwijl voorbij Brest alle ogen zijn gericht op de internationalisatie van het conflict in Joegoslavië. Een jaar geleden stond er, net als nu, op het hoogtepunt van de interne polarisatie eveneens een topconferentie van de zeven kapitalistische industriemogendheden voor de deur waar Moskou harde dollars wilde wegslepen in ruil voor democratische rust en sociaal-economische orde. En ook toen waren het de parlementsvoorzitter (Anatoli Loekjanov, nu Roeslan Chasboelatov) en de vice-president (Gennadi Janajev, vandaag Aleksandr Roetskoj) die zich leken op te maken voor de Judasrol.

Maar of het ook vergelijkbaar zal aflopen, is de vraag. Een jaar geleden waren de politieke frontlinies namelijk net iets helderder dan nu. Althans daar leek het toen op. Tegenover de clan apparatsjiks als KGB-chef Vladimir Krjoetsjkov, minister van binnenlandse zaken Boris Pugo en militair-industrieel Oleg Baklanov stond een redelijk coherente groep ex-communisten. Die hielden er weliswaar allemaal ook zo hun eigen persoonlijke ambities op na. Maar ze wisten elkaar toch steeds te vinden, omdat hun verzet tegen de oude garde hun gemeenschappelijke noemer was. Bovendien steunden ze op hoop en verwachting, dat wil zeggen het "volk'. Als de communistische greep op de economie zou worden ontmanteld zou het vanzelf langzamerhand beter gaan.

Vandaag is het spectrum veel minder overzichtelijk. Niet alleen omdat de huidige militaire "captain of industry' Arkadi Volski (de man die achter de schermen de remweg van de zo radicaal begonnen regering-Gaidar begeleidt) niet met goed fatsoen gelijk gesteld kan worden aan Baklanov. Ook niet omdat hoop en verwachting hebben plaatsgemaakt voor teleurstelling, niet-ingeloste beloften, politieke apathie en massaal volkstuinieren omdat de aardappels en tomaten toch èrgens vandaan moeten komen. Maar evenmin omdat er aan de "goede' zijde van de president geen sprake meer is van cohesie. Daar is van helemaal niets meer sprake. De grote namen van weleer (burgemeester Anatoli Sobtsjak van Sint Petersburg, perestrojka-ideoloog Aleksandr Jakovlev en Sjevardnadze bijvoorbeeld) houden zich schuil of zijn uit Moskou vertrokken. En de nieuwe jongere leiders van ná augustus 1991 manifesteren zich in een hele andere (meer autoritaire) gedaante, dan wel gedragen zich als eenzaam loslopende onheilsprofeten die elkaar slechts achter gesloten deuren of in de de krantekolommen tegenkomen.

Het interview dat Kozyrev deze week aan Izvestia heeft gegeven, is daarvan een goed voorbeeld. Als minister van buitenlandse zaken, die vooral oog heeft voor de internationale positie van Rusland, heeft Kozyrev dinsdag heldere taal gesproken. Zijn analyse dat de militairen momenteel bezig zijn het politieke landschap te "afghaniseren' wordt door veel recente gebeurtenissen bevestigd. Het uit de hand lopende conflict rondom de afgscheiden "Slavische' Dnjestr-republiek in Moldavië en de niet zo in het oog lopende maar evidente betrokkenheid van Russische officieren in de oorlog om Nagorny Karabach wijzen slechts in één richting: er wordt dezer weken inderdaad naarstig gezocht naar externe alibi's voor intern gebruik.

Maar als historicus en politicus heeft hij zich toch in zijn kaart laten kijken. In het vraaggesprek met Izvestia duikt namelijk om de andere alinea de "rood-bruine' coalitie op die het volgens hem heeft gemunt op de scalp van Jeltsin en dus op de democratie. Alsof hij hoopt met dit epitheton het gevaar te kunnen bezweren.

Was het maar zo eenvoudig. Want de kwestie is nu juist dat deze regressieve coalitie niet is af te doen met de stoplap "rood-bruin' of "oorlogspartij'. Weliswaar trekt de minister deze in Rusland momenteel populaire historische beeldspraak dramatisch door naar het Duitsland van voor 1933 - onder druk van de bijna broederlijke opkomst van nazi's en stalinisten knapten de knieën der liberale democraten indertijd immers als luciferhoutjes en neigde het merendeel van hun politieke leiders er één voor één naar om voor het minste kwaad te kiezen (nationaal-conservatief of zelfs Hitler) - het blijft ook in Kozyrevs beschouwing vooral een retorische metafoor die geen antwoord biedt op de allerbelangrijkste vraag: waarom?

Net als toen in Duitsland is het probleem vandaag in Rusland namelijk niet louter van strikt politieke aard en ligt de oplossing dus ook niet simpel in het "goede' of het "foute' standpunt, hoe moreel verantwoord dat onderscheid ook moge zijn. Waren in Duitsland indertijd gefrustreerde staatkundige aspiraties en een uit sociaal oogpunt tè snelle industrialisatie de voedingsbodem voor de anti-democraten, in het Rusland van 1992 is het een combinatie van een moeizaam moderniseringsproces en een te radicale dekolonisatie die de grond daarvoor vruchtbaar maken.

Natuurlijk zijn de Volksi's en de zijnen er op uit om hun posities te handhaven en willen ze daarom geen liberale markteconomie maar een vorm van "staatsmonopolie-kapitalisme'. Een voortgaande militarisering van de samenleving zou hun schoorstenen rokende houden. Bovendien houdt het de soldaten, die anders her en der in het rijk gedemobiliseerd zouden moeten worden zonder dat er voor hen werk of huisvesting voorhanden is, van de straat.

Maar tegelijkertijd kunnen vice-president generaal Roetskoj en diens bondgenoten in het militaire apparaat ongestoord appelleren aan een volksere emotie: aan de dreigende ondergang van wat ooit een "groots' imperium is geweest. Want het idee dat het grootste deel van de voormalige Sovjet-Unie op de keper beschouwd gewoon het Russische Rijk was, is niet louter een communistisch verzinsel. Het is een gedachte die ook zonder deze ideologische connotatie in bredere kring gemeengoed is.

Hoeveel van de huidige onafhankelijke staten uit het Gemenebest zijn er de afgelopen twee à drie eeuwen immers als natie zelfstandig geweest en hoe lang? De drie Baltische landen uiteraard: wel twintig jaar zelfs, in het interbellum. Moldavië ook, eveneens tussen beide wereldoorlogen, zij het zonder de nu betwiste Dnjestr-republiek en op vier maanden na bovendien in staatkundige eenheid met Roemenië. En de Oekraïne, Georgië, Armenië, Azerbajdzjan alsmede de Centraalaziatische republieken? Ja, dankzij de burgeroorlog na de Oktoberrevolutie zijn ook zij een blauwe maandag los van Rusland geweest. Van al deze voormalige Sovjet-republieken hebben de nieuwe islamitische landen eigenlijk nog het langst zonder Russische inmenging geleefd. Niet voor niets gaat de nationale identiteit, die nu in alle veertien naties wordt gezocht, voor een belangrijk deel terug naar de middeleeuwen en vroeg-moderne tijd toen er van moderne staatsvorming in dit deel van de wereld nog amper sprake was en de verschillende volkeren hun autonomie nog in wisselende verbanden en relatief kortstondige koninkrijkjes konden beleven.

Vanuit hun oogpunt is dat retrospectief naar een ver verleden logisch. Voor de Russen is dit herwonnen zelfvertrouwen niettemin moeilijk te begrijpen. Zouden zij in nog geen jaar tijd moeten aanvaarden waar mensen na een echtscheiding gemiddeld jaren over doen? Nee, het is nog sterker. Rusland voelt zich zelf juist nog meer de dupe van het Sovjet-imperium dan de nu afgescheiden republieken. Want wie hebben de periferie geïndustriali- seerd? Precies, de Russen! En wie heeft daarvoor tot het bittere einde met goedkope olie en wat dies meer zij moeten betalen? Inderdaad, Moskou. De terreur en onderdrukking verdwijnen bij die afrekening nu uiteraard uit het zicht. De Russen waren daarvan zelf ook slachtoffer. Misschien nog wel meer dan de randgebieden omdat zij van binnenuit werden gesovjetiseerd en dus geen enkele culturele bescherming meer hadden. Dat is althans een veel gehoorde redenering die ook in democratische kring opgeld doet. Ze heeft zelfs de basis gelegd voor het succes van Jeltsin die als geen ander tamboereerde op de noodzaak van nationalisme én democratie. Zo werd Jeltsin de vleesgeworden synthese tussen "Slavofielen' en "Westerlingen'.

Op het nationale sentiment doet die brede coalitie, waar de "Westerlingen' Kozyrev en Sjachrai nu voor waarschuwen, een beroep. Er wonen tegenwoordig immers overal Russen - "koloniale bezetters' of niet - die Rusland hoe dan ook niet aan hun lot mag overlaten. Soms worden de nieuwe nationalisten in Moskou daarbij op hun wenken bediend, zoals zondag in Estland waar een krappe meerderheid van de bevolking per referendum heeft bepaald dat die Russen (bijna eenderde van de bevolking) die zich tot juni niet hebben laten nationaliseren van stemrecht zullen worden uitgesloten.

Veel vaker werpen de Roetskojs zich echter op als de "woordvoerders' zonder dat de landgenoten in den vreemde daarom nadrukkelijk hebben gevraagd. In Moldavië bijvoorbeeld wonen drie keer zoveel Russen buiten de Dnjestr-republiek als daarbinnen. Wat een eventuele echte oorlog voor hen zal betekenen, laat zich raden. Maar dat is voor de "oorlogspartij' in Moskou uiteraard niet bijster interessant.

Het is dit mengsel van cynische machtspolitiek in het Kremlin en gefrustreerd nationalisme daarbuiten dat Rusland deze zomer weer zo'n explosief aanzien geeft. Net als een jaar geleden hangt veel af van de leider, Boris Jeltsin, de president die zelf ook twee zielen in zijn borst heeft en daarom vooral tijd voor zichzelf nodig heeft. Tegelijkertijd staat hij echter onder toenemende druk om te kiezen: tussen het financiële gelijk van de Kozyrevs (dollars en ethiek) en de electorale attractiviteit van de Roetskojs (de vlucht naar voren). Wellicht is implosief daarom een beter woord.