Woorden op een huid als een levend vel papier

Elke kunstenaar, ook als hij niet schrijft, heeft een herkenbaar handschrift. Maar heeft een computer er ook één? Dreigt het handschrift te verdwijnen? Is het handschrift de spiegel van de ziel? Vandaag de eerst aflevering van een serie. K. Schippers laat een vrouw gissen naar woorden die met een vinger op haar huid worden geschreven.

We zaten 's avonds laat te praten onder de bomen van het terras aan het park. Achter ons hoorden we het getinkel van glazen, daar was het buffet. Ze begon over een jongen die iets verderop zat. Op zijn rechterbovenarm was heel virtuoos een zeemeermin getatoeëerd. Als hij de arm strekte om zijn glas te pakken spande zijn huid zich en werd de staart iets langer.

Ze had wel eens overwogen een afspraak te maken met Henk Schiffmacher, de Amsterdamse meester-tatoeëerder. Juist de klassieke symbolen spraken haar aan, een roos, een golf, een zwaluw, tussen die drie had ze geaarzeld. De plek moest niet in het oog springen, een schouder of een dijbeen, de rug of misschien een bovenarm, net als de jongen met de zeemeermin.

Maar ze was er toch voor terug geschrokken. Een tatoeage was nooit meer weg te werken, haar hele leven zat ze eraan vast. Het langst had ze nog gedacht aan een paar woorden geschreven door iemand die ze goed had gekend, gek dat je dat zo weinig zag.

Ik zei vlug dat het me aan een verhaal van Herodotus deed denken. Een geheime boodschapper wordt kaal geschoren. Zijn opdrachtgevers tatoeëren op z'n kop de tekst. Hij moet wachten tot zijn haar flink is gegroeid, pas dan zijn de woorden helemaal aan het oog onttrokken. Daarna mag hij op reis naar zijn gevaarlijke bestemming.

Het was even stil. Ik kende haar nu een paar jaar, ze was getrouwd en had kinderen, zoals het soms moet. Met het beschreven hoofd van de boodschapper had ik geprobeerd het gesprek een grappige wending te geven, zodat we over iets anders konden beginnen. Zonder dat ze het zei wist ik dat ze het handschrift bedoelde van een geliefde die acht jaar geleden was gestorven. Ze noemde nooit zijn naam, had het alleen zijdelings over hem, liet een onderwerp naar hem overvloeien op een ogenblik dat je het juist niet verwachtte.

Ze was op het idee van het getatoeëerde handschrift gekomen door een spel dat iedereen wel kent. De eerste woorden, die met een lichte aanraking van een vinger op haar rug werden geschreven, waren willekeurig, zo maar de naam van een minister of een sportheld, de hoofdstad van een provincie, een maand van het jaar. Ik moest meer denken aan iemand die in een winkel een schrijfmachine of een tekstverwerker probeert. Hij komt meestal niet verder dan de aanhef van een handelsbrief, een paar straatnamen of zijn geboorteplaats.

Later was er meer samenhang in de hoekige mededelingen gekomen. Het was of de huid moest leren lezen toen hele zinnen haar probeerden te bereiken. In het begin had ze met de eenvoudigste woorden moeite, de, van, om, het, als, bij, misschien omdat ze nog niet kon geloven dat die zo kort zijn. Naar een lang woord kon ze toegroeien, vooral een opmaat van veel medeklinkers leidde haar helder naar het beloofde land van de klinkers, de betekenis.

Ze lachte. Toen ze volleerd was onderscheidde haar huid zelfs spelfouten en verwarde geen komma of vraagteken met een letter. Van degene die haar schreef kreeg ze ook brieven en mede door de kennis van dat onregelmatige schrift maakte haar huid zich meestal de goede voorstelling van elk letterbeeld.

Het bleef eerst bij korte teksten, fragmenten die niet met elkaar waren verbonden. Pas toen er een begin werd gemaakt met een brief - of moest het een feuilleton worden genoemd - begon ze de inhoud over te schrijven.

Het was een nauwkeurige taak die ze op zich had genomen, het omleiden van het nog niet vervaagde handschrift naar de blauwe lijnen van een dictaat-cahier. Dat werk deed ze de volgende morgen, als de indrukken van haar huid nog vers in haar geheugen zaten. De aanvulling beliep twee zinnen tot een paar alinea's, nooit meer. Elke nieuwe tekst had iets van een onzichtbare tekening die door er met een stift over te wrijven, langzaam te voorschijn komt.

De brief was nooit afgekomen. Ze zei het licht geamuseerd, het was geen treurspel. Bijna vier cahiers had ze vol geschreven, de tekst met veel rijtjes en witregels was vrolijk en dwaas, vilein, scabreus en hoogst ernstig, een baldadige geheimtaal. Ze herinnerde zich hele bladzijden over de boogie-woogie.

Ik zei dat het misschien de langste lofzang was die ooit op iemand werd geschreven.

Daar ging ze niet op in. Ze herlas de schriften ook niet meer, bekeek ze af en toe alleen nog omdat ze samen iets bij haar opriepen. Al die cahiers bij elkaar hadden meer kracht dan een enkele passage.

Ze voelde zich in die dagen een levend vel papier.