Trabant: nieuw imago, onzekere toekomst

Een jaar geleden rolde in het Saksische Zwickau de laatste Trabant van de band. Nu, na een jaar saneren, werken er bij de Sachsenring-fabriek geen 11.000 arbeiders meer, maar krap 1600. De vrouwen gingen terug naar het aanrecht.

Frank Tautenhahn heeft zin in de toekomst. Hij draagt een schone overall, werkt in een kraakheldere hal met machines die het doen, maakt Golfs in plaats van Trabants en krijgt maandelijks D-marken op z'n bank gestort. Wat wil een voormalige DDR-arbeider nog meer? “Wat ik kan betalen, kan ik doen en dat is mooi.”

Goed, zijn loon is nog steeds minder dan dat van collega's in Beieren. Maar met ach-en-wee verhalen ben je bij hem aan het verkeerde adres. “Mensen leefden in de DDR vaak boven hun stand. Gezinnen met acht, tien kinderen! Die komen nu in de problemen. Maar we zijn hier niet in Afrika.”

Drie jaar geleden was Tautenhahn nog een van de 11.000 Saksen die zich hadden geschikt in hun lot als Trabant-arbeider. Dagelijks stond hij met tegenzin op om zwaar en eentonig werk te doen in een groezelige fabriek. Bijna dertig jaar lang dezelfde auto, nooit eens een andere machine.

Toen die sleur, die anno 1992 soms een oase van rust lijkt, in het najaar van 1989 werd doorbroken, betekende dat meteen het einde van het oude DDR-leventje.

Over het spoor langs de fabriek waarover doorgaans de Trabants (eindelijk) hun weg vonden naar de klanten, reed op een avond een trein vol mensen voorbij. Hij kwam uit Tsjechoslowakije en zat vol Oostduitsers die hun toevlucht hadden gezocht in de Westduitse ambassade in Praag. Ze mochten (eindelijk) weg. Daarna ging het snel: een jaar geleden rolde in Zwickau de laatste Trabant uit de fabriek. Wat volgde was een jaar keihard saneren aan de leiband van DDR-curator Treuhand.

Sachsenring Automobilwerke Zwickau is nu een bedrijf met een gloednieuw imago en een onzekere toekomst. Het aantal werknemers is uitgedund tot zo'n 1600, onder wie Frank Tautenhahn. De DDR, de Muur, Trabant... voor Tautenhahn behoort het nu tot een grijs verleden. “God, als je zo'n kapotte Trabi langs de weg ziet liggen, denk je nog wel eens: "Die heb ik gebouwd'. Maar ja, ik rijd zelf al twee jaar Alfa Romeo.”

Het afgelopen jaar brak Volkswagen definitief door in de nieuwe Bundesländer. VW was al voor de Wende in de DDR actief, nu geldt het concern als een van de weinige grote investeerders daar. De komende jaren steekt VW zo'n 5 miljard mark in het oosten van Duitsland. Goed voor circa 35.000 arbeidsplaatsen, blijkt uit een opgave van het concern zelf: 5000 in de produktie, 10.000 in de verkoop, de rest in de toeleveringsindustrie.

De omgeving van Zwickau is het zwaartepunt van de VW-activiteiten. Even buiten de stad, bij het dorpje Mosel, produceert het concern auto's in een nieuwe fabriek die Trabant voor zichzelf gebouwd dacht te hebben en waar meteen na de Wende al Volkswagen Polo's werden gemaakt. Dat leverde in mei 1990 een veelzeggend moment op: de drie miljoenste Trabant verliet samen met de eerste "Ost-Polo' de fabriek. Die Trabant ging rechtstreeks door naar het Trabant-museum op het Sachsenring-terrein.

Aangezien die fabriek naar Westerse maatstaven maar behelpen is, bouwt VW er op dit moment een nieuwe bij. Vanaf 1994 zullen in Mosel dagelijks 1200 Golfs van de band rollen - op weg naar kopers in de voormalige Oostbloklanden. Voor een deel van de Trabant-arbeiders voor wie geen plaats meer was bij de Sachsenring, is Volkswagen de reddende engel. Maar ook de Sachsenring zelf, hoewel in naam zelfstandig, drijft voor een groot deel op Volkswagen. Trabant is een toeleverancier geworden.

Pag 14: Museum van de gemiste kansen

Josef Dittrich (42), bedrijfschef van de Sachsenring, heeft ondanks de sanering de neiging het afgelopen jaar positief te beoordelen. “Er zijn ook veel nieuwe banen geschapen.” Het negatieve resultaat over 1991 - 70 miljoen mark verlies op 300 miljoen omzet - kan hem niet van zijn stuk brengen. Dittrich: “Dit jaar moeten we van de Treuhand uit de rode cijfers raken. Als ik niet optimistisch was, zou ik hier niet zitten.”

Dittrich kwam achttien jaar geleden bij de Sachsenring om er een nieuw model Trabant te ontwikkelen. Het is er nooit echt van gekomen, zegt hij in de nog naar DDR ruikende ontvangstkamer van de directie. Innovaties waren er wel, maar van een moderner jasje kon geen sprake zijn. “Telkens als de nieuwe prototypes hier al rondreden op het terrein, kwam de oekaze "Nein'. De Trabant was voor de DDR-burger "goed genoeg'. Onze ingenieurs waren topsporters die hun leven lang trainden, maar nooit mochten spelen.”

Nu moeten ze wel. In zijn glimmende nieuwe folders en bedrijfsvideo noemt het bedrijf zichzelf weliswaar een "produktieve toeleverpartner van autofabrikanten in de hele wereld', maar dat slaat, zoals gezegd, vooral op Volkswagen. De Sachsenring verdient zijn brood met Golf A2-carrosserieën en watergekoelde boxer-motoren voor het VW-busje de Transporter T3. De helpende hand van Volkswagen is nu een zegen. Vraag is hoe lang die er nog zal zijn.

Als het over de toekomst van de Sachsenring gaat, sluipt er enige onzekerheid in Dittrichs optimistische verhaal. “Voor de toekomst is het absoluut noodzakelijk dat we een eigen produkt ontwikkelen. Anders blijven we een veredelde lopende band voor anderen en zijn we veel te kwetsbaar. Aan dat eigen produkt werken we hard; onze grote schreeuw richting Treuhand is: gun ons de tijd.”

Over dat nieuwe produkt wil Dittrich niks zeggen. Dat geldt ook voor de belangstelling die er in derde-wereldlanden nog voor de Trabant schijnt te zijn. “Daarover zijn nog onderhandelingen gaande.” Intussen is het bijna een kwestie van: alles moet weg.

Als er vraag naar schoonmoeders zou zijn, zouden de voormalige Trabant-ingenieurs hun schoonmoeder verkopen. Zo probeert de Sachsenring nu geld te verdienen met het restaureren van oldtimers en auto-recycling. “Zeker dat laatste,” zegt Dittrich grijnzend, “moet hier een gat in de markt zijn. U kent het gezegde vast wel: "Al het schroot gaat naar het Oosten'.”

Veel blijkt die recycling overigens nog niet om het lijf te hebben: olie aftappen, bruikbare onderdelen verwijderen en pletten maar. Een bestemming voor de platte Trabantjes is er nog niet.

Wat de toekomst ook brengt, voor veel voormalige Trabant-arbeiders zal het te laat zijn. Dat zijn de paar duizend - vooral vrouwen en vijftig-plussers - die niet bij de Sachsenring konden blijven en voor wie ook in Mosel of de nieuwe bedrijfjes in de leeggekomen Trabant-hallen geen plaats was. Zij werden met VUT gestuurd of gingen eerder met pensioen. Rond de zeshonderd mensen werden ontslagen. De meesten zitten echter bij de SAQ, de Sächsische Aufbau- und Qualifizierungsgesellschaft, in de omscholing. Een onzeker bestaan, want de SAQ, doorgaans "het opvangkamp' genoemd, biedt weinig uitzicht op een andere baan. Bovendien verdwijnen er dezer dagen 1200 plaatsen bij de SAQ. Omscholing is duur voor een bedrijf dat vecht om te overleven.

“Wie Zwickau binnenrijdt, krijgt eigenlijk een verkeerde indruk,” zegt Elke Bohr, de vrouwelijke personeelschef van de SAQ. “Overal zie je die Volkswagenborden langs de weg staan, zodat je denkt: Het gaat zo slecht nog niet in Zwickau. Maar veel tragiek blijft onzichtbaar. Voor die 1200 bij voorbeeld gaat het heel moeilijk worden.”

Natuurlijk kòn die Trabant-fabriek niet meer, zegt Bohr. Men heeft door eigen schuld de boot gemist. Het Trabant-museum met z'n prototypes is het museum van de gemiste kansen. En waar gehakt wordt, vallen spaanders. Maar, zegt Bohr, dat betekent nog niet dat het niet tragisch is om een spaander te zijn.

“Negentig procent van de vrouwen hier werkte. Gescheiden vrouwen vaak, die zo toch zelfstandig konden leven. Voor de meesten van hen is het nu: een jaar WW en dan nichts, nichts. De meesten hebben ook nog kinderen te verzorgen. Ik kan je wel vertellen dat je in zo'n situatie snel afzakt.”

“Op onze afdeling werkten zes tot acht vrouwen,” zegt later Angelika Pommer. “Geen van hen heeft een baan gekregen. We zijn nog samen naar Mosel geweest, maar dat heeft niks opgeleverd. Vrouwen mogen niet in een drie-ploegen systeem werken, kregen we te horen. Een wet van drüben, bij Trabant was dat nooit een probleem.” Zelf zit Angelika Pommer op haar 31ste in de omscholing; nu heeft ze verlof in verband met de komst van haar tweede kind.

“Ik was lasser bij de carrosseriebouw. Dat is nu een mannenberoep geworden. Ik mag verkoopster spelen. Dertien jaar ben je lasser geweest en opeens is het afgelopen. Dat is mijn woede: tot nu toe waren vrouwen goed genoeg om hetzelfde werk te doen als mannen. Maar ja, waar kun je met je woede heen? Je hoort het veel, hoor: Was het maar weer als vroeger.”

Haar man Jürgen: “De Saks is met weinig tevreden. een vol bord, een televisie en een autootje. Dat hadden we allemaal. Eerlijk gezegd: als anderen er niet mee begonnen waren, was ik niet op het idee gekomen de straat op te gaan.”

Ook onder hen die wel aan het werk bleven, heerst nostalgie en verwarring. Lutz Burkhardt, lakcontroleur in Mosel, is een van de vele ex-Oostduitsers die weer "DDR-produkten' kopen. Een reactie op te veel reclame en te veel oplichters aan de deur. Burkhardt: “Vroeger waren we ondanks alles een grote familie. Nu is iedereen zichzelf het naaste. Of de Duitse vereniging een goede zaak is geweest? In de nieuwe Bundesländer zeggen we op zulke vragen altijd: Jein.”

Aan wethouder Toni Rossberg (FDP) van sociale zaken de taak om dit soort heimwee in goede banen te leiden. Rossberg, een charmante, sigaartjes rokende ex-tandarts, somt de problemen op die haar twee jaar geleden nog onvoorstelbaar schenen: van dakloosheid tot vandalisme. “Mensen worden daar bang van en die angst komt vaak bovenop de onduidelijkheid over hun persoonlijke toekomst. Zeker nu de economische situatie in de oude Bundesländer zo onzeker is.”

Rossberg wijst erop dat de problemen in Zwickau objectief bezien meevallen - de werkloosheid van 13,7 procent is ongeveer het Saksische gemiddelde - maar ze maakt zich wel zorgen over de groeiende onvrede. “De mening dat asielzoekers problemen veroorzaken voor de Duitsers is wijdverbreid. Hier nemen mensen op dit moment elke baan aan die ze maar kunnen krijgen. Argumenten als "ze pikken onze banen in' vallen hier dus in extra vruchtbare aarde. Ben ik bang.”

's Avonds lopen we over de kermis van Zwickau, die wel veel lawaai maakt maar geen mensen trekt. De Zweedse auteur Stig Dagerman schreef het al toen hij in 1946 door Duitsland trok: “Er is een gebrek aan vreugde in het naoorlogse Duitsland maar geen gebrek aan vermaak.”

Toch geldt ook hier Burkhardts "Jein'. Neem Frank Schneider. Hij liep op z'n 53ste, dank zij de Wende, in één klap binnen. Een aantal huizen dat vroeger familiebezit was, kreeg Schneider door snel te reageren vrij gemakkelijk terug. Eén ervan, met een verzekeringswaarde van 1,6 miljoen D-mark, verbouwt hij tot een winkel in auto-onderdelen.

Ook Schneider is bij Trabant ontslagen, maar het kan hem weinig schelen. “Zelfs deze winkel doe ik voor m'n lol. Als het mislukt, breng ik de rest van m'n leven lekker op één oor door. Geld is er genoeg.” Met die Sachsenring nieuwe stijl, zegt Schneider, wordt het niks. “Binnen een paar jaar is het daar helemaal afgelopen.” Bijna triomfantelijk klinkt het: “Pas kwam ik een oude collega tegen, die nog steeds geen werk had. Ik zei: als je over een paar maanden nog niks gevonden hebt, kom je maar bij mij.”

Karl Heinz Kusel zou zo'n ex-collega als weldoener goed kunnen gebruiken. Kusel, een robuuste 53-jarige man, kan zich niet eens een nieuw bankstel veroorloven. “Die gaten zijn van de nagels van de hond. Die hebben we niet meer, nee. Hij was oud en ziek. We moesten hem laten afmaken.” Kusel is na zijn ontslag bij Trabant krantenjongen geworden: wekelijks brengt hij Bild am Sonntag rond. “Om zes uur op, 's nachts pas terug. Maar ja, die honderd mark kan ik niet laten lopen.”