Oorlog in Zuidoost-Turkije wordt intenser en bloediger

ATHENE, 1 JULI. De Turkse hoop dat de oorlog in het zuidoosten zou doodbloeden nadat de Arbeiderspartij Koerdistan (PKK) in april haar kamp in de Libanese Beka'a-vallei had ontruimd, is ijdel gebleken. In de afgelopen twee maanden zijn de acties zowel frequenter als massaler geworden. Dodencijfers van tien of meer zijn aan de orde van de dag.

Bij een overval op twee mini-bussen in de provincie Bitlis (Zuidoost-Turkije) werden zondagavond bij voorbeeld tien mannen doodgeschoten. Uit het feit dat de slachtoffers allen "dorpswachters' waren - met de regering samenwerkende Koerdische dorpelingen - kan worden afgeleid dat het om een actie ging van de PKK. Zulke aanslagen op mini-bussen zijn de nieuwste vorm van geweld in de guerrilla-oorlog die sinds zijn aanvang in 1983 circa vierduizend mensenlevens heeft gekost, en alleen al vorige week meer dan zestig.

Tegelijkertijd valt nog een ander fenomeen te registreren. De aandacht voor deze acties in de Turkse media neemt af naarmate zij meer slachtoffers kosten. Wanneer vroeger een of meer Turkse militairen vielen als "sehid' (martelaar) werd daarover op de voorpagina's uitvoerig bericht. Sneuvelen er nu acht of veertien in één gevecht, dan vindt men dat op een binnenpagina, waarbij eerst wordt verteld hoeveel méér Koerdische "terroristen' er onschadelijk zijn gemaakt. Op radio en televisie wordt soms in het geheel niet over de gevechten gerept.

Het geschreven en gesproken nieuws staat in het teken van de diplomatieke evenementen, zoals de grootscheepse Zwarte-Zeeconferentie, waarin Turkije een hoofdrol speelde als kersverse grote mogendheid. Vooral in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie werkt premier Demirel aan het vestigen van Turks prestige, maar hoe lang de cultivering van deze modelfunctie nog samen kan gaan met het toenemende binnenlandse geweld, is de vraag.

In mei nam de opperbevelhebber van de Turkse strijdkrachten, Dogan Güres, nog het woord "oorlog' in de mond. Eind juni schreef het nieuwe Turks-Koerdische dagblad Özgür Gündem (Vrije Agenda): “In het oosten woedt een bloedige burgeroorlog, en de regering is er alleen op uit dit te versluieren”.

Stond mei inderdaad nog in het teken van echte veldslagen, in juni maakte de PKK weer meer jacht op burgers, inclusief vrouwen en kinderen. Hardnekkige optimisten in Ankara leiden daaruit af dat het militaire apparaat "te sterk' is geworden voor de PKK.

Maar er zijn ongetwijfeld ook heel andere factoren in het spel. Gedurende de winter is er aan de toch al gewelddadige situatie in het zuidoosten een rampzalige dimensie toegevoegd. Moordbrigades, ook wel "contra-guerrillagroepen' genoemd, begonnen aan de liquidatie van min of meer bekende figuren uit het Koerdische kamp, ijveraars voor de rechten van de mens, advocaten, journalisten, plaatselijke politici. Reeds bijna honderd hunner zijn nu hetzij ter plaatse neergeschoten, hetzij eerst ontvoerd, gefolterd en pas daarna vermoord.

Alleen al in het kleine stadje Silvan in de provincie Diyarbakir is het aantal slachtoffers meer dan twaalf; men durft daar de doden die op straat liggen niet eens meer meteen te begraven. De organisatie die ervoor verantwoordelijk is - er is nog niemand gearresteerd - wordt Hezbollah-contra genoemd, maar heeft niets te maken met de gelijknamige Iraans geïnspireerde organisatie, die juist goede betrekkingen met de PKK onderhoudt. De PKK, die volgens Ankara nu ook vanuit Iran wordt gesteund, richt haar aanslagen de laatste tijd vooral tegen personen, ook imams, die tot deze organisatie zouden behoren en dit verschaft de strijd het karakter van een "burgeroorlog'.

In de Turkish Daily News van dinsdag komt Koerdenkenner Ismet Imset met de volgende theorie: tijdens het regime van de fundamentalistische minister van binnenlandse zaken Abdulkadir Aksu (1987-'90) werden, vooral in de steden, vele fundamentalistische politiemensen aangesteld. Onder zijn liberalere opvolger werden deze uit de steden verwijderd - inderdaad is het aantal "moorden van boven' in Istanbul teruggelopen - en naar het zuidoosten gestuurd. Daar hebben zij, in samenwerking met extreem-rechtse groepen onder de bevolking, de Hezbollah-beweging op touw gezet.

Een gevolg van de steeds wanhopiger situatie in het zuidoosten is de toenemende ontvolking daarvan, die wellicht ook door duistere machten bewust wordt nagestreefd. Volgens Turkse kranten heeft de Nationale Veiligheidsraad, bestaande uit militaire en civiele kopstukken, zich op zijn laatste vergadering beziggehouden met de vestiging van Aziatische Turken, met name de Ahiska's, in "voormalig Koerdische' streken.

Maar de vestiging van honderdduizenden Koerden in Centraal- en West-Turkije leidt tot nieuwe problemen. Istanbul met zijn ten minste 1 miljoen Koerden is al een tweetalige stad te noemen, maar relatief groter blijkt de toevloed naar de havenstad Izmir, waar nu al naar schatting 1,2 miljoen zijn neergestreken in de arme, primitieve voorsteden. Het weekblad Aktüel kwam onlangs met de voorspelling uit de mond van plaatselijke experts dat deze stad nog dit jaar een terreurgolf zal meemaken.

Tevoren had hetzelfde blad al een reportage gewijd aan de sociale problemen die de komst van drommen werkloze Koerden in het Egeïsche gebied rondom Izmir veroorzaakt, vooral ook in de dorpen waar zij als landarbeiders optreden. Het blad meende op het spoor te zijn gekomen van een lokale Ku Klux Klan, racistisch tekeergaand tegen de indringers die onder de prijs werken. In een andere grote stad, Adana, woedt bij het vliegveld een oorlog tussen Turkse en Koerdische taxichauffeurs, waarbij de laatsten van de standplaats worden geweerd.