Na 50 jaar sluit De Pauwhof vandaag de deuren; "Met dank voor alle goede zorgen'

Als er ooit behoefte is geweest aan rust en stilte en verzorging, en met niets aan je hoofd, zodat je je helemaal aan je werk kunt wijden, dan is het toch nu wel? Geen televisie, geen sportgekte, geen gepiep, geratel en gerinkel van communicatiemiddelen, geen Paul de Leeuw. Alleen maar de bel dat er koffie is, dat er thee is, dat de lunch klaarstaat, dat men aan tafel kan om te dineren, dat moet toch heerlijk zijn?

Blijkbaar niet.

De Pauwhof, het ouderwetse, prachtige landhuis in Wassenaar, waar men zich als kunstenaar of wetenschapper kon terugtrekken om zich enige tijd geheel op zijn werk te concentreren, is vandaag gesloten. Vijftig jaar lang kon men er als scheppend kunstenaar temidden van hoog geboomte en lage rododendrons tegen gereduceerde prijs terecht, maar na vele jaren moeizaam beleid en voortgaande uitputting van de ooit zo royale fondsen is het nu gebeurd. Te weinig gasten, te hoge kosten, zo overzichtelijk is de economie ook voor een stichting die het mecenaat wil beoefenen. Voor de zoveelste keer wordt er een tijdperk afgesloten. Is er dan niets dat beklijft?

Het leek allemaal zo mooi. De schrijfster Tessa de Loo heeft niet zo lang geleden nog een warme aanbevelingsbrief opgesteld in een poging het schrijvershuis te redden. “Als je gevangen zit tussen je deadline en het gezin, het avondeten, de boodschappen, de telefoon, de post, het sociale leven, dan is daar altijd nog De Pauwhof”, schreef zij wervend. “Er is daar geen enkel excuus meer om niet te hoeven werken. Als het niet lukt ligt het aan jezelf.” Aan haar lag het niet: ze schreef in het Wassenaars struweel Het rookoffer, boekenweekgeschenk 1987.

Het gastenboek vermeldt grote namen uit de literatuur: Bloem, Greshoff, Belcampo, Anna Blaman, P.N. van Eijck, Buddingh', Ida Gerhardt. Zij allen bevolkten eens een van de vijftien logeerkamers en schoven 's avonds aan in de eetkamer voor het diner en voor de beoogde uitwisseling van gedachten en ideeën. Zo was het allemaal bedoeld door mevrouw Overvoorde-Gordon, weduwe van de vroegere archivaris en museumdirecteur van Leiden. Zij stelde in 1939 landgoed en kapitaal ter beschikking om daarmee gelegenheid te scheppen in alle rust te studeren en scheppende arbeid te verrichten. Tegen kostprijs - toen nog enkele guldens, laatstelijk 85 gulden per dag - kon men er terecht. Had men geen geld dan wilde het bestuur de hand nog weleens over het hart strijken.

Op het oog leek het allemaal zo mooi, maar, tot verdriet van het bestuur, echt gelukt is het nooit. Nu niet, maar ook vroeger al waren er de nodige bezwaren, zelfs van mensen die er toch regelmatig logeerden. Zoals de schrijver Ab Visser, die de aansporing dat De Pauwhof er ook was om inspiratie op te doen letterlijk nam: hij schreef er een boek over, "Het klooster van Sint Jurriaan - Pauwhof herinneringen', vol namen en anekdoten. Hij verhaalt van de ruzietjes en liefdetjes en stoutigheden, “de saaie professoren en boeiende baronessen” die het tussen '48 en '53 tot een tehuis vol verrassingen zouden hebben gemaakt. Natuurlijk deed hij als in een klucht weleens de verkeerde deur open, een copulerend paar storend. En een hoogleraar vroeg hij eens bot hoe het met diens konijnenfokkerij ging, waarop deze hem geduldig uitlegde geen bioloog te zijn. “En wat hebt u gestudeerd, meneer Visser?” “De ambachtsschool in Groningen”, was het eerlijke antwoord.

Wanneer er zich wild in de tuin vertoonde, werd dat door de tuinman geschoten en stond er de volgende dag zuurkool met fazant op tafel. Nu werd er voor het diner een beroep gedaan op een cateringbedrijf. “Maar het werd wel opgediend bij kaarslicht en met een glas wijn er bij”, vertelt de gastvrouw tot de laatste dag, die naamloos wil blijven. Het negatieve imago dat er, bij al dat personeel, die totale verzorging en de onvermijdelijke groepsvorming altijd om De Pauwhof heeft gehangen was dat van een instelling te zijn, een inrichting, ja, een gesticht. De toon werd gezet door Ab Visser, de gekromde, altijd door ziekten getourmenteerde maar toch blijmoedige auteur, die vanuit het parkje samen met een volgens hem overspannen Albert Vogel voorbijgangers aan de andere kant van de sloot toeriep: “Help ons hieruit, dit is een gesticht.” Waarna het ook als zodanig in het Wassenaarse bekend ging staan. Ook Ies van Wijk, de schrijver Levi Weemoedt, beschreef acht jaar geleden nog in NRC Handelsblad de sfeer van De Pauwhof na een kort verblijf daar als die van “een mengeling van een internaat, een kostschool, een bejaardentehuis en een kuuroord voor patiënten, die aan een rustige waanzin lijden”.

Toch heeft ook een hedendaags auteur als A. van der Heijden er een tijdlang plezierig gewerkt. In de bibliotheek staat een presentexemplaar van De advocaat van de hanen, dat hij er voor een groot gedeelte heeft geschreven “met dank voor alle goede zorgen”. Maar wel schreef hij later in de Avenue hoe burgerlijk het er toeging en dat hij bij het diner tegenover een oudere heer met een klapperend gebit kwam te zitten.

Tessa de Loo zegt het in De Pauwhof altijd heerlijk te hebben gevonden. “Ik ben net in Polen geweest en daar zijn ook dat soort tehuizen, ook altijd prachtig gelegen. Eerst was het er gratis, maar nu moet je ervoor betalen, maar krankzinnig weinig. Hoe mooi ook, ik sprak er iemand die zei niet tegen het idee te kunnen dat achter iedere deur iemand aan zijn levenswerk zat te tikken. Die bel in De Pauwhof om de paar uur? Nee, dat werd echt geen obsessie voor me, integendeel. Ik werk met het idee dat ik telkens een beloning moet verdienen. Dus twee uur werk: koffie. Twee uur later: lunchen. Dat paste precies in mijn werkritme.”

Het is allemaal geschiedenis geworden. Huis en park zullen in de verkoop gaan en de te verwachten opbrengst - één miljoen? twee miljoen? - zullen het kapitaal vormen, uit de rente waarvan ook in de toekomst kunstenaars een handreiking gegeven kan worden. Dan moeten ze van dat geld zelf maar een rustige plek zien te vinden.