Maxima vastgelegd voor Navo en ex-Warschaupact; Akkoord over omvang legers

In Wenen is gisteravond een akkoord bereikt over plafonds voor de personele omvang van nationale legers en luchtmachten in Europa. Dit zogeheten CFE-1A-akkoord legt de maxima vast voor de afzonderlijke NAVO-landen, de lidstaten van het voormalige Warschaupact en de nieuwe staten die op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie zijn ontstaan.

Westerse functionarissen bleken vanmorgen tevreden te zijn over het bereikte akkoord, waarvan de tekst maandag zal worden geparafeerd. “Het is allemaal niet sensationeel, maar een nuttige aanvulling op het CFE-akkoord (over beperking van het militaire materieel)”, aldus een hoge diplomaat. In sommige gevallen komen de cijfers overeen met de huidige sterkte, andere landen houden een ruime marge aan. Frankrijk geeft een plafond van 325.000 man op, terwijl de sterkte van het Franse leger nu nog 343.000 bedraagt. Het Amerikaanse cijfer is 250.000, terwijl nu al bekend is dat de omvang van de Amerikaanse aanwezigheid teruggaat naar maximaal 150.000. Nederland heeft als plafond 80.000 opgegeven, België 70.000, Luxemburg 900.

Tijdens de komende top van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), op 9 en 10 juli in Helsinki, moet dit akkoord worden getekend. Niet alle 29 betrokken landen hebben overigens al een definitief plafond vastgesteld. De cijfers van nieuwe Oosteuropese landen als Armenië, Azerbajdzjan, Georgië en Moldavië ontbreken nog. De hoop is dat deze landen voor Helsinki hun cijfers nog zullen inleveren. Deze landen hebben de afgelopen maanden ook niet of nauwelijks aan de besprekingen in Wenen deelgenomen. “Een enkeling is even geweest om het naambordje van zijn land op de tafel neer te zetten”, aldus een direct betrokken diplomaat. Alleen Rusland, Wit-Rusland en de Oekraïne spraken echt mee, terwijl bijvoorbeeld de belangen van Azerbajdzjan af en toe, tot verbazing van andere aanwezigen, door Turkije bleken te worden behartigd.

De plafonds, die door de verschillende landen zelf zijn (worden) vastgesteld, betreffen slechts het aantal manschappen van de land- en luchtstrijdkrachten, de kustwacht en de marine-infanterie. In Wenen maakt men zich dan ook wel zorgen over de nieuwe para-militaire organisaties die in de verschillende GOS-republieken worden opgezet. Daarvoor gelden de plafonds namelijk niet, waardoor deze eenheden - zeker als ze zouden worden uitgerust met tanks, artillerie en gevechtwagens - die landen in principe de mogelijkheid bieden boven het af te spreken plafond uit te gaan. Voormalige KGB-eenheden, soms uitgerust met tanks en pantservoertuigen, vallen in deze categorie. Ook maakt men zich in Wenen zorgen over de "vrijscharen', de troepen die niet onder de cijfers van de traditionele conventionele legers vallen, maar die wel degelijk een factor van betekenis vormen.

Vooral Turkije heeft zich tot het laatste toe ingezet voor het onderbrengen van deze troepen in het akkoord, maar met name Rusland verzette zich daartegen. Wel is in het akkoord een informatieplicht vastgelegd met betrekking tot deze eenheden. In het geval een ander land twijfel heeft over de uitvoering van het akkoord, kunnen consultaties worden gehouden.

De overeenkomst, die overigens niet het karakter van een verdrag maar van een politiek bindende afspraak krijgt (zodat ratificatie door de parlementen van de 29 landen niet nodig is), bevat behalve plafonds voor het aantal manschappen ook afspraken over verificatie en uitwisseling van militaire informatie. De afspraken over verificatie zullen nauw aansluiten bij de bepalingen die daarover zijn gemaakt in het kader van het in november 1990 in Parijs gesloten CFE-verdrag. Dat CFE-verdrag beperkte de aantallen tanks, helikopters, pantservoertuigen, artillerie en gevechtsvliegtuigen.

Het zijn met name de Duitsers die het hardst hebben aangedrongen op tijdige voltooiing van CFE-1A. In het kader van het twee-plus-vier-akkoord verbonden de verenigde Duitsers zich al in 1990 tot reductie van de omvang van hun landstrijdkrachten tot 345.000 man. De regering in Bonn wil dat er tijdens de top in Helsinki een einde komt aan deze Duitse "Singularisierung' doordat de andere landen ook hun plafonds dan officieel vastleggen.

Het CFE-1A akkoord kan eigenlijk pas worden ondertekend als alle betrokken landen eerst het CFE-akkoord hebben geratificeerd. Aan Westerse zijde ontbreken nog de officiële goedkeuringen van Turkije, Griekenland en Portugal, maar men neemt aan dat die op tijd in Den Haag, waar de uitvoering wordt gecoördineerd, binnen zullen zijn. Problematischer zijn echter de ratificatieprocedures in de nieuwe GOS-republieken. Sommige parlementen daar zijn met reces en het is de vraag of de ratificatie van CFE boven aan hun agenda's zal staan als ze van vakantie terugkeren, gezien de grote interne problemen waarmee veel van deze landen kampen. Wit-Rusland heeft al laten weten dat zijn parlement pas deze herfst zal kunnen ratificeren. In Helsinki zal men, zo wordt aangenomen, dan ook genoegen moeten nemen met een nadrukkelijke herbevestiging van de begin vorige maand in Oslo gegeven garantie dat de ratificatie zo snel mogelijk haar beslag zal krijgen. “Er zijn nu eenmaal grenzen aan de pressie die je kunt uitoefenen, want je kunt je niet bemoeien met de interne aangelegenheden van een land”, aldus een diplomaat.