Het Weggelaar- model

Op dertien juni 1966 hielden Amsterdamse bouwvakkers in Amsterdam een demonstratie tegen een korting op hun inkomsten. Terwijl zich een betrekkelijk geringe schermutseling met de politie ontwikkelde, overleed één van de betogers, de heer J. Weggelaar. Later bleek dit het gevolg van een hartaanval te zijn, misschien veroorzaakt door de opwinding van de demonstratie. Het gerucht ging dat hij in een gevecht met de politie het leven had verloren. De volgende dag rukten de bouwvakkers op naar De Telegraaf, die in de eerste editie had gesuggereerd dat Weggelaar was gedood door een steen die een mede-bouwvakker had gegooid. In de algemene opwinding van die dagen werd door de ene partij onmiddellijk aangenomen dat de politie de schuldige was. Op de veertiende juni begonnen de rellen die drie dagen duurden en dikwijls de omvang van straatgevechten aannamen. Het is een wonder dat daarbij niemand het leven heeft gelaten. In de nasleep werden burgemeester Van Hall en de hoofdcommissaris Van der Molen vervangen. Dat was de meest voor de hand liggende maatregel, die veel te laat werd genomen.

De gebeurtenissen in Rotterdam en Amsterdam waarbij respectievelijk mariniers en personeel van het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf verslaafden hebben verjaagd, vallen in veel opzichten niet te vergelijken met wat er meer dan twintig jaar geleden is gebeurd. De politieke verhoudingen zijn veranderd, de oorzaken van toen lijken niet op die van nu. Maar er zijn ook overeenkomsten.

De eerste is de gestaag gegroeide sfeer van onzekerheid over de uitoefening van het gezag. Al jaren houden de berichten aan over het vrijlaten van verdachten wegens cellentekort, de niet zeer succesvolle strijd van politie en justitie tegen de zware criminaliteit. Er is een permanente stroom van klachten over de nonchalance van overheidsdiensten, slechte behartiging van openbare diensten, verwaarlozing van het stadsbeeld. Er is een groeiend verzet tegen de arrogantie van politiek en bureaucratie die zich voor deze kritiek uit de burgerij niet ontvankelijk verklaart.

Een sfeer is een onmeetbaar politiek gegeven waarmee bestuurders niettemin ernstig rekening moeten houden. In een rustige sfeer is voor verreweg de grootste meerderheid ondenkbaar of verwerpelijk, wat in een sfeer van broeiende ontevredenheid vanzelfsprekend wordt gevonden of zelfs verwelkomd. Alle tekortkomingen van de overheid die ik hierboven heb opgenoemd plus nog een paar, zijn de factoren die met elkaar de sfeer doen ontstaan.

Als deze sfeer tekenen van sterk bederf vertoont, zoals nu het geval is, dient de overheid met spoed tot zelfonderzoek over te gaan en de consequenties daarvan te trekken. Het één noch het ander is gebeurd, zoals iedereen die weleens met de Amsterdamse metro rijdt of met de trein in Rotterdam aankomt, onveranderlijk kon vaststellen.

De tweede overeenkomst met 1966 is dat de overheid, door het irritatiegehalte van de sfeer te miskennen, met het lot van een ongeteld aantal mensen heeft gespeeld. Men had moeten begrijpen dat, zoals al geruime tijd in de kranten wordt geschreven, op de genoemde plaatsen het gevaar van confrontaties steeds groter werd. De overheid heeft het monopolie op geweld. Ze heeft zich dit alleenrecht laten afnemen met alle risico's die daaraan zijn verbonden. Het is daardoor niet denkbeeldig dat, buiten ieders opzet, de gebeurtenissen het "Weggelaar-model' zouden hebben gevolgd. Wat zou er zijn gebeurd als in Rotterdam een verslaafde door welke oorzaak dan ook, maar tijdens de confrontatie, het leven had verloren? Kan men zich de verbittering voorstellen als een marinier hetzelfde was overkomen? Tussen 1966 en nu zijn de verhoudingen in die mate veranderd - de oorzaken van de verschillen in verscheidene groepen binnen de burgerij liggen zoveel dieper - dat het heel wat meer moeite zou hebben gekost één en ander weer te "normaliseren'.

Het belangrijkste verschil tussen 1966 en nu is dat de overheid zich niet alleen het geweldsmonopolie heeft laten afnemen, maar dat sommigen van haar woordvoerders daarmee blijkbaar niet ontevreden zijn. Dat mag men opmaken uit de reactie van de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt na de aanval van de mariniers en de omzichtigheid van de GVB-directie na de "veegactie' in de metro. Daarmee erkent een gewaarschuwde overheid impliciet haar eigen falen. Ze had al de facto van haar geweldsmonopolie afstand gedaan. Ze mompelt er nog eens een halve rechtvaardiging vergezeld van een halve afkeuring achteraan. Ze probeert de sfeer te verbeteren op kosten van krachten die daarvoor niet zijn aangenomen en die er niet de verantwoordelijkheid voor kunnen dragen. Zo toont ze zich een bange overheid.

De afgelopen week is een ontwikkeling volgens het "Weggelaar-model' naderbij gebracht. Als het slachtoffer valt aan de kant van degenen die zich bij gebrek aan een behoorlijk beleid hebben belast met "veegacties' hoort een heksenjacht op de verslaafden tot de werkelijke mogelijkheden. Als het slachtoffer aan de andere kant valt zullen verbittering en wraakzucht binnen een kleinere groep niet minder zijn. Misschien moeten er, zoals in 1966, een paar autoriteiten worden vervangen, maar dan eerder.