De dijk

Ook uit de dijk, dat machtig lichaam, spraken de eeuwen. Elke meter boven N.A.P. was van waarde, elke bocht had zijn betekenis.

Je had buiten de dijk en binnen de dijk; binnen de dijk het berekenbare van de polder, buiten de dijk het wispelturige van de rivier.

Je had op de dijk en aan de dijk; aan de dijk was alles luwte en geborgenheid, aan de dijk stond het huis, plaats van geboorte en leven en dood; óp de dijk de ongeremde weidsheid van het landschap, het woelen van de wind in je haar, het eindeloze komen en gaan van mensen, te voet, op de fiets, de bromfiets, de bus van Ballegooyen, de meelwagen van Cor de Jager op vrijdag, Cor had het meest stapvoetse paard van Gorkum tot Bommel.

Op de dijk kon je twee kanten uit. Links of rechts, oost of west, zouden we in de stad zeggen. Boven of beneden, zeiden ze hier.

De bus van kwart over acht ging naar boven, die van kwart over negen naar beneden. Aan het boveneind was de winkel van Weesjes, aan het benedeneind het voetbalveld van Herovina. Heel de wereld scharnierde om dit boven en beneden. Het was een reliëf dat werd aangevoerd door de rivier, een vleugje Alpen in dit vlakke land.

Boven, daar kwam de rivier vandaan, beneden, daar stroomde hij naartoe. En de dijk, de dijk die stroomde rustig mee.