Andriessen kiest voor confrontatie met kleinbedrijf

DEN HAAG, 1 JULI. Voordat minister Andriessen gisteren de strijd aanbond met het overgrote deel van het midden- en kleinbedrijf over een liberalisering van de vestigingswetgeving, voerden zijn ambtenaren het afgelopen jaar gesprekken met liefst 107 brancheorganisaties. Het duimendikke verslag daarvan geeft een scherp inzicht in de marktbeschermende functie van het huidige wettelijke regime. Eveneens illustreert het hoe beperkt de interesse van de Nederlandse ondernemer voor vrije concurrentie is.

Andriessens stap van gisteren kende een lange aanloop. In 1988 bleek uit een in opdracht van economische zaken uitgevoerde studie ("Gevestigde belangen') dat met vrijere vestigingseisen de verstarring in het midden- en kleinbedrijf kan worden tegengegaan. De huidige wetgeving verplicht vrijwel alle ondernemers een vestigingsvergunning aan te vragen alvorens ze een bedrijf kunnen starten. Ook bleek dat een vrijer regime grotere verschillen in de kwaliteit van aangeboden produkten en diensten zou opleveren.

Drie jaar duurde het eer er een nieuwe stap werd gezet. Het verzet van sommige ondernemersorganisaties was taai. De huidige wet, die stamt uit de jaren vijftig - het tijdperk van de centrale overheidssturing - biedt veel branches een aanzienlijke protectie. Het verkrijgen van een vestigingsvergunning is voor startende ondernemers veelal gekoppeld aan de plicht een specifieke branche-opleiding te volgen. Per branche gelden daarover specifieke afspraken, maar in de praktijk komen die er meestal op neer dat nieuwelingen eerder worden afgeremd dan gestimuleerd zich te vestigen.

Een doorbraak volgde april vorig jaar. Toen publiceerden Andriessen en de centrale werkgeversorganisaties een verklaring waarin ze steun betuigden aan het streven naar een vrijere vestigingswetgeving. Een verrassing, vooral omdat zowel NCOV als KNOV - wier achterban wordt gevormd door de meeste brancheorganisaties - de verklaring mede ondertekenden. Even waren zij het contact met de branche-organisaties kwijt. Toen het ministerie volgens afspraak de afzonderlijke branches ging doorlichten, stuitten de ambtenaren op een wereld van onwil. In vrijwel ieder overleg bleek weliswaar dat individuele branches in het algemeen een liberalisering van de vestigingseisen steunen, doch dat er voor de eigen specifieke branche goede argumenten waren om van het algemene voornemen af te wijken.

Een voorbeeld. De twee Nederlandse hoveniersorganisaties, de KTL (Kring Tuin- en Landschapsvoorziening) en de NHG (Nederlandse Hoveniers Groenvoorzieners), legden het ministerie voor dat het wegvallen van vestigingseisen een “grote instroming” van nieuwe hoveniers ten gevolge zou hebben. De organisaties representeren zo'n 2000 bedrijven, die werkgelegenheid aan 12.000 mensen verschaffen. Het schrappen van vestigingseisen zou volgens de hoveniers “de behoefte” aan “opleiding” doen dalen “met wel vijftig procent”. En de hoveniers verwoordden hun belangstelling voor vrij ondernemerschap als volgt: “Al met al een verschraling van de sector”.

Ten minste twee problemen doemen nu op. Het eerste is van praktische aard. De minister heeft keuzes gemaakt. Tachtig van de 107 branches moeten het in zijn voorstel voortaan doen zonder enigerlei vestigingseis. Bij de 27 andere handhaaft hij een vorm van bescherming of, in de terminilogie van het ministerie, een ondersteuning van “de kwaliteit” van het ondernemerschap. Maar waarom blijven de broodbakkers beschermd terwijl het herenmaatkledingsbedrijf in het voorstel van de minister volledig aan de vrije concurrentie moet geloven? Het betreft hier haast per definitie arbitraire keuzes. In de komende maanden - de branche-organisaties hebben tot oktober om hun bezwaren te verwoorden - zal zo menige parallel worden getrokken. Het is de vraag hoe het ministerie alle verongelijkte organisaties dan van repliek dient. En of de minister uiteindelijk de rug recht houdt.

Een meer abstract probleem is hoe een op vrije concurrentie gericht beleid kan gedijen in branches die dat slechts in theorie waarderen. De minister heeft nu gekozen voor de confrontatie. Al voldoet hij voortdurend keurig aan alle eisen van de vaderlandse overlegeconomie, ten lange leste doet zijn voorstel de wensen van de meeste branches geweld aan. De centrale werkgeversorganisaties zijn er zo van geschrokken dat ze er het zwijgen toe doen. En het is de vraag hoe de branches - na hun eerste boosheid - daadwerkelijk reageren. Het zou niet de eerste keer zijn als ze onderling alternatieve vormen van marktbescherming afspreken.

Wat zal er in de praktijk nu precies veranderen? Het midden- en kleinbedrijf wordt door de overheid op diverse manieren aangezet tot een scherpere concurrentie. Tal van kartels zijn het laatste jaar voor verbod voorgedragen. Nu volgt een ander heilig huis. Nederland krijgt er meer beginnende kappers door, meer startende schilders, meer risicolustige reisbureaus. Prijzen worden scherper, het aanbod ruimer. De consument bepaalt de rest.