Twee kinderen van veertien

Je hebt van die levens waarin zich de misère van een heel tijdsgewricht lijkt samen te ballen. Harm Pleumakers leidt zo'n leven. Hij is alcoholist geweest, hij is gescheiden, hij heeft ontucht gepleegd met zijn veertienjarige dochter, hij is arbeidsongeschikt en hij heeft zijn Turkse bovenbuurman met een mes bedreigd. Voor de incest en de bedreiging staat hij nu terecht voor de Utrechtse politierechter, mr. A. Scholten.

Pleumakers is een lange, tanige man van ruim vijftig jaar die zwaar op twee krukken leunt. De rechter biedt hem aan te gaan zitten, maar hij prefereert de staande houding omdat hij dan minder last van zijn rug heeft.

“Klopt die ontucht?” vraagt de rechter.

“Klopt.”

“Hoe is dat zo uit de hand gelopen?”

“Onder invloed van medicijnen en drank.” Pleumakers begint aan een lange, tamelijk onsmakelijke uiteenzetting van zijn kwalen.

“Wat heeft dat met die ontucht te maken?” vraagt de rechter geprikkeld.

“Zij zat onder de drugs”, zegt Pleumakers. “Ik wist niet meer wat ik deed. Toen ik bij haar was, dacht ik: waar ben je mee bezig, joh. Toen ben ik weer naar mijn kamer gegaan.”

“Hoeveel keer is het gebeurd?”

“Eén keer.”

“Zij zegt dat het vaker is gebeurd. Eén keer bent u met uw vingers in haar vagina gegaan.”

“Absoluut niet.”

“Op 16 maart 1990 is het opnieuw gebeurd. Toen is ze weggelopen. U heeft toegegeven dat u op 16 maart weer die drang kreeg.”

“Ik heb haar spijkerbroek uitgetrokken, maar toen de dekens weer over haar getrokken en ben weggegaan.”

“Dat is heel wat anders dan wat hier staat.” De rechter leest uit het proces-verbaal voor: “Ze lag op bed, ik vroeg wat, ze gaf geen antwoord, ik trok de dekens van haar af, begon over haar geslachtsdelen te wrijven.”

“Ik weet het niet meer precies.”

“Heeft u haar sindsdien nog wel eens gesproken?”

“Nee, ik heb haar nooit meer gezien.”

“Wat voor drang voelde u?”

Pleumakers zucht eens diep. “Het ging op school niet goed met haar. Ze was aan de drugs, ze at niet meer bij me en vroeg steeds geld. Ze kwam pas tegen middernacht thuis.”

“Ik kan me uw verontrusting voorstellen”, zegt de rechter, “maar ik zie geen verband met het seksuele.”

“Ik weet ook niet hoe dat in me gekomen is.”

“Drinkt u veel?”

“Niet meer, vroeger wel.”

“Bij een veertienjarige kun je een hoop narigheid aanrichten.”

Pleumakers knikt kort. “Ik zit nog steeds te denken: hoe kom ik eraan? Weet het niet...”

“Heeft u zich nooit laten onderzoeken?”

“Ik ben een paar keer naar de reclassering geweest.”

De incest moet al in november 1989 begonnen zijn - dochter Anne was toen veertien jaar. We zijn nu tweeëneenhalf jaar verder en de vraag dringt zich dan ook op: vanwaar deze late berechting?

De officier van justitie, mr. B. Swagerman, heeft er geen afdoende verklaring voor en lijkt zich daarvoor enigszins te generen. “De zaak heeft onwenselijk lang op berechting moeten wachten”, constateert hij. “Gezien de ernst van het feit was het eigenlijk een zaak voor de meervoudige kamer geweest. Ik weet niet waarom deze zaak zo lang is blijven liggen.” Hij kijkt de verdachte aan: “Die omstandigheid moet wel in uw voordeel werken.”

De officier acht desondanks een onvoorwaardelijke straf op zijn plaats. “Dat meisje zal dit altijd met zich meedragen.” Hij eist vier maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk. In die straf is ook de bedreiging van de Turkse bovenbuurman verdisconteerd. De man was komen klagen over de geluidsoverlast van de radio van Pleumakers. Die hief daarop het mes, even later daarbij geassisteerd door zijn broer die ook voor dit feit terecht moet staan.

De advocaat, mr. Van den Heuvel, laat weten dat de reclassering aanhouding van de zaak wil. Men zou dan meer inzicht kunnen krijgen in de incest-kwestie. “De ernst daarvan is niet zo groot als de officier zegt”, meent hij. “Het is tot twee keer beperkt gebleven. Ik wil het niet bagatelliseren, maar ik wil toch vragen om een voorwaardelijke straf.”

Zou twee keer incest veel minder erg zijn dan, pakweg, tien keer? Daar moet een boeiende discussie over mogelijk zijn, maar de officier treedt niet in het krijt met de advocaat.

De rechter wijst het verzoek om aanhouding af. Hij geeft de verdachte de gelegenheid tot het laatste woord. Pleumakers aarzelt, mompelt iets.

“Zegt u het maar.”

“Ik heb nog een zoon van veertien thuis”, zegt hij, bijna schuldbewust.

“U bent met z'n tweeën?”

“Ja. Ik moet voor hem zorgen.”

Dat zal voor de rechter geen onbelangrijke factor zijn, ook al laat hij dat niet merken. Als hij Pleumakers tot de cel veroordeelt, geeft hij hem het alibi voor nòg een verwoest kinderleven.

“Het is een nare zaak dat dit nu pas voor de rechter komt”, zegt de rechter. “Wat betreft de strafmaat kan ik er eigenlijk niks meer mee. Een onvoorwaardelijke straf zou passend zijn, maar daarvoor is het feit te oud. Voor het tweede feit, de bedreiging, geef ik 200 gulden boete, voor beide feiten tezamen vijf maanden voorwaardelijk.”

Pleumakers strompelt weg om plaats te maken voor zijn broer en diens advocaat.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.