Staatsgrepenland

In zijn column van 22 juni stelt H.J.A. Hofland dat generaal mr. H.J. Kruls een broertje dood had aan de parlementaire democratie.

Van het najaar van 1945 tot het najaar van 1947 was ik op de generale staf onder directe verantwoordelijkheid van stafchef (toen) luitenant-generaal mr. H.J. Kruls, belast met de oprichting en leiding van wat toen was de Legervoorlichtingsdienst en nu heet Landmacht voorlichting binnen de directie voorlichting van het ministerie van defensie. Kruls had zijn functie van chef staf Militair Gezag korte tijd eerder neergelegd in verband met zijn benoeming tot chef van de Generale Staf. Omdat ik rechtstreeks aan mr. Kruls rapporteerde had ik veel contact met hem, terwijl wij door de aard van mijn werk geregeld spraken over niet-militaire onderwerpen. Bij deze scherpzinnige man met zijn twee disciplines (zowel een militaire als een juridische vorming) heb ik nooit iets waargenomen dat leek op een ondemocratische gezindheid of twijfel aan de rechtsstaat.

Wij waren niet vervuld van ontzag voor de politiek en voor het gedrag van een aantal politici inzake Indonesië. Maar dat is in Nederland een eigenschap van alle tijden en alle mensen en gebeurt in het kader van het loyaal uitvoeren van overheidsopdrachten en van het besef dat de militair een dienaar en geen leider van de staat is. Die loyaliteit en dat besef domineerden (zoals het hoort) in de toenmalige Generale Staf.

Het Militair Gezag, waarvan Kruls eerder de leiding had, bestond grotendeels uit tijdelijk gemilitariseerde burgers en werd in de krijgsmacht nauwelijks gezien als een militair apparaat.