Schaduw over Lissabon

DE STUNT VAN Mitterrand heeft de bijeenkomst van de Europese Raad afgelopen weekeinde in Lissabon geheel in de schaduw geplaatst.

Dat was niet al te moeilijk al was het maar omdat de Raad van staats- en regeringshoofden er niet in is geslaagd de Europese eenwording na het Deense referendum een nieuwe impuls te geven. Over belangrijke onderdelen van het dossier bleef besluitvorming uit. Maar juist op het punt van de crisis in Bosnië-Herzegovina leek de Raad even het voortouw te hebben genomen. De Verenigde Naties werden met zoveel woorden uitgenodigd een beroep op de Europeanen te doen om ten behoeve van de benarde bevolking van Sarajevo te interveniëren. Mitterrands escapade, de daarop gevolgde overdracht van het vliegveld van Sarajevo aan de VN en de door de Veiligheidsraad inmiddels bevolen hergroepering van alle in het crisisgebied aanwezige blauwhelmen heeft de Europese offerte voorlopig aan de vergetelheid overgeleverd.

Een signaal dat van sommige lidstaten het uiterste aan flexibiliteit had gevraagd en dat de geboorte van een gezamenlijke Europese buitenlandse en veiligheidspolitiek alsnog had moeten aankondigen, blijft nu zonder weerklank. Ook het enthousiasme zoals dit weekeinde getoond door WEU-secretaris-generaal Van Eekelen over nieuwe kansen voor zijn organisatie moet voor het moment op ijs worden gelegd. De Veiligheidsraad als geheel heeft kennelijk geen behoefte aan concurrerende organisaties, wat herinnert aan de weerzin binnen de VN tegen de aanvankelijke multinationale operatie in het Iraakse Koerdengebied vorig jaar. Mitterrand, die altijd de mond vol heeft van Europese politiek, heeft met zijn interventie het Europese initiatief getorpedeerd nog voor het tot wasdom kon komen.

VOOR DE TOEKOMST is hier lering uit te trekken. Tot twee keer toe hebben de lidstaten van de Europese Gemeenschap zich nu beraden over een min of meer zelfstandig Europees militair optreden in het voormalige Joegoslavië. Ook wordt er geregeld gepraat over een eventuele rol van de WEU en/of de NAVO in de sfeer van vredeshandhaving in het algemeen, al dan niet gelieerd aan de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) waarvan de status zou moeten worden opgevijzeld overeenkomstig hoofdstuk VIII van het Handvest van de Verenigde Naties. Maar hoewel er zich (helaas) verschillende aanleidingen voordoen om deze ideeën op hun praktische waarde te toetsen, wil het van toepassing maar niet komen. Een analyse van dit onvermogen en enig zelfonderzoek lijkt langzamerhand niet overbodig en in ieder geval nuttiger dan het verzinnen van steeds ingewikkelder en zoveel mogelijk kolen en geiten sparende communiquéteksten.

Slepende kwesties als de (her)verdeling van allerhande instituties over de lidstaten en betreffende financiële steun aan achterlopende partners zijn in Lissabon doorgeschoven naar de volgende raad eind dit jaar. Dan is er meer zicht op de wijze waarop de EG de gevolgen van het Deense debâcle denkt te overwinnen, op de uiteindelijke status van het verdrag van Maastricht en, niet het minste, op de ontwikkeling van de gezamenlijke economie. Dat de EG tijdelijk naar een lagere versnelling is overgeschakeld is begrijpelijk gezien de alom om zich heen grijpende twijfel of de gekozen richting wel de juiste is. Het gaat erom in deze crisisachtige toestand niet het hoofd te verliezen. De Europese burgers tonen behoefte aan bezinning. Daarover mag niemand rouwig zijn.

TEN SLOTTE de vergeefse Nederlandse poging de Italiaanse onverschilligheid ten aanzien van de naleving van EG-regels (betreffende de superheffing op melk) aan de kaak te stellen. De Haagse onmacht binnen de intergouvernementele Europese raad moet de voorstanders van intergouvernementele constructies te denken geven. Als er al invloed voor Nederland is weggelegd, blijkt die zeker niet toereikend om iets te bewerkstelligen. Ook de zogenoemde ambtelijke kolos in Brussel reikt minder ver dan wel wordt gesuggereerd. De Italiaanse zon wordt er in ieder geval niet door verduisterd.